Noordhoff Uitgevers

Bijen en hommels (Junior)

Iemand die bijen houdt, is een imker. De bijen wonen in speciale bijenkasten. Die kasten staan op plekken waar de bijen makkelijk nectar uit bloemen kunnen halen. Nectar is een zoete vloeistof en bijen maken daar honing van. Er zijn meer dan 20 duizend soorten bijen op de wereld. De meeste soorten maken geen honing en wonen niet in een groep. Het zijn solitaire bijen. Dat betekent dat ze alleen leven. Alleen honingbijen en hommels maken honing van nectar. Hommels zijn grote bijen. Ze zijn veel dikker behaard dan andere bijen.

Hommels kunnen met hun dikke vacht ook goed in koude landen leven.

Samen leven

Een groep bijen die samen in een nest leeft, heet een bijenvolk. Zo'n volk bestaat uit duizenden vrouwtjes en een paar honderd mannetjes. Hommels leven in een kleinere groep (50-200 hommels). Een volk heeft één koningin. Ze is de grootste bij en ze kan vijf jaar oud worden. De vrouwtjesbijen heten werksters of werkbijen. De mannetjes heten darren. De werksters houden de wacht bij de ingang van het nest. Als ze zich echt bedreigd voelen, steken ze met hun angel. Een honingbij kan maar één keer steken. Daarna gaat ze dood.

Deze werkster heeft al veel bloemen bezocht. Ze heeft veel stuifmeel in haar korfje.

Bijen waarschuwen elkaar als ze bloemen van de goede soort vindt. De ontdekker beweegt in een cirkel of achtvorm en geeft zo aan hoe ver het is. Dit wordt de bijendans genoemd. De andere bijen weten nu hoe ze naar het voedsel moeten vliegen. Hommels waarschuwen elkaar niet. Hommel zoeken voor zichzelf. Een hommel bezoekt elke dag zo'n honderd bloemen. Net als bijen verzamelen zij het stuifmeel in korfjes aan hun achterpoten. Hommels gaan ook voedsel zoeken als het slecht of koud weer is. Honingbijen niet. Als het kouder is dan 10 graden Celsius blijven ze in hun nest.

Bijen en hommels zijn hard nodig in de natuur. Zonder hen groeien er niet veel planten of bomen. Ook fruit en groente groeien dan niet. In het voorjaar trekt de bloesem van fruitbomen bijen en hommels aan. Ze vliegen van boom naar boom. De nectar zit diep in de bloemetjes. Om erbij te kunnen, stoten ze met hun lijf tegen de stamper in de bloem. Dat is het deel van de bloem dat bevrucht wordt. Van een andere bloem hebben ze dan al stuifmeel aan hun lijf. Dat plakt dan aan de stamper vast. Dat heet bestuiven. Nu kunnen er appels, kersen of pruimen uit de bloemetjes groeien.

Details en informatie

  • Titel: Bijen en hommels (Junior)
  • Auteur(s): Darja de Wever
  • Nummer: JC302
  • Niveau: 1
  • Siso: J 597.81