Noordhoff Uitgevers

Camouflage en bedrog bij dieren

Voor veel dieren is het handig als ze niet opvallen. Hun schutkleur beschermt ze tegen roofdieren. Die zien hen daardoor niet goed. Dieren kunnen zich op allerlei manieren camoufleren. Ook door hun geur of gedrag kunnen ze zich 'onzichtbaar' maken. En de vorm van een dier kan camouflage zijn. Zo heeft de bidsprinkhaan de kleur en de vorm van een tak.
Er zijn ook dieren die juist extra opvallen. Sommige giftige, gevaarlijke of onsmakelijke dieren hebben opvallende kleuren en patronen. Een lieveheersbeestje smaakt vies. Roofdieren letten extra goed op als ze ooit een vervelende ervaring met zo'n beestje hebben gehad. De kleuren werken als waarschuwingskleuren: 'Val mij niet aan, ik ben gevaarlijk of vies'. Er zijn onschuldige dieren die daarvan gebruikmaken. Zoals een zweefvliegje met gele en zwarte strepen. Omdat het veel lijkt op een gevaarlijke wesp, pakt een vogel zo'n vliegje niet zo snel.

Deze bidsprinkhaan lijkt sprekend op een tak. Zie jij waar zijn kop zit?

Schutkleur

Veel dieren zijn zo goed aangepast aan hun omgeving, dat ze nauwelijks opvallen. Dat is handig. Een groene sprinkhaan in het gras wordt bijna niet gezien door vogels die insecten eten. De ijsbeer gebruikt zijn schutkleur juist om zijn prooi te vangen. Door zijn witte vacht kan hij in de sneeuw onopvallend een zeehond naderen.
Sommige dieren kunnen zelf hun uiterlijk aanpassen, zoals platvissen. Die zwemmen met één zijkant over de bodem van de zee. De andere zijkant lijkt op de bodem van de zee. Ze kunnen bijvoorbeeld op zand of kiezels lijken, afhankelijk van de ondergrond waar ze overheen glijden. Zo zijn ze bijna onzichtbaar voor hun vijanden én hun prooi.

Slimme trucs

Dieren die geen schutkleur hebben, moeten soms slimme trucs gebruiken. Als een kat een vogeltje gevangen heeft, speelt hij daar een tijdje mee. Het vogeltje kan zich dan 'dood' houden. De kat denkt dat zijn prooi gestorven is en laat hem even liggen om te kijken wat er gebeurt. Het vogeltje heeft dan de kans om weg te vliegen.
Een hagedis gebruikt weer een andere truc. Hij bedriegt zijn roofdier door mimicry (zeg: miemiekrie). Als hij wordt aangevallen door een roofdier, kan hij een stukje van zijn staart laten afbreken. Dat stukje blijft dan nog een tijdje bewegen. Het roofdier denkt dan dat het stukje staart een worm is en probeert het te pakken. Intussen kruipt de hagedis snel weg.
Sommige dieren schrikken hun vijand af. Veel vlinders hebben vlekken op hun vleugels die op ogen lijken. Als een vogel in zo'n vlinder wil pikken, klapt die zijn vleugels open. De vogel schrikt dan even van de grote ogen die hem plotseling aanstaren. De vlinder heeft dan nog net een kansje om te ontsnappen. Ook bij rupsen, reptielen, vogels en vissen komen deze nepogen voor.

De vlekken van deze kleine nachtpauwoog lijken op ogen. Ze laten de vijand even schrikken.

Aanpassen aan de omgeving

Soms komt het voor dat een diersoort in de loop van de tijd verandert. Deze evolutie is bijvoorbeeld nodig omdat de omgeving verandert. De vormen van de diersoort die het best passen bij de andere omgeving hebben meer kans om te overleven. Zo past de diersoort zich langzaam aan de omgeving aan.
Waarom camouflage werkt, is goed te snappen. Maar het is moeilijk voor te stellen dat er in de loop van miljoenen jaren zoveel perfecte manieren van camouflage zijn ontstaan.

Details en informatie

  • Titel: Camouflage en bedrog bij dieren
  • Auteur(s): William van den Akker
  • Nummer: IC311
  • Niveau: 3
  • Siso: J 593