Noordhoff Uitgevers

De geschiedenis van onze taal

De taal die wij spreken is een levende taal. Dat wil zeggen: er komen elke dag  nieuwe woorden bij en er verdwijnen woorden die we niet meer gebruiken. Zo is onze taal in duizenden jaren veranderd. 
Onze taal is een Germaanse taal, net als bijvoorbeeld het Fries of het Engels. Omdat duizend jaar geleden mensen uit verschillende dorpen weinig contact met elkaar hadden, sprak ieder dorp zijn eigen Nederlands. Die verschillen zijn er nog steeds, in Brabant spreken ze een ander dialect dan in Groningen. Maar de verschillen zijn wel veel kleiner dan vroeger omdat iedereen veel meer contact met elkaar heeft en bijvoorbeeld naar dezelfde televisieprogramma’s kijkt.
Het Nederlands kent ook veel leenwoorden. Vroeger waren dat woorden uit het Spaans, bijvoorbeeld gitaar. Of Franse woorden zoals fabrikant of insect. Nu nemen we veel woorden over uit het Engels. 
De Germanen trokken met hun taal vanuit Denemarken en Noord-Duitsland naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. Uiteindelijk staken ze ook de Noordzee over naar Groot-Brittannië en IJsland.

Eén taal

We weten weinig over de taal die hier langer dan duizend jaar geleden gesproken werd. Dat komt omdat de boeken die in die tijd werden geschreven, zijn vergaan of vernietigd. Het oudste Nederlandse zinnetje dat we kennen, werd bijna duizend jaar geleden opgeschreven door een monnik.
Nu leren kinderen in groep drie lezen en schrijven. Vroeger was dat niet zo. In de middeleeuwen (500-1500) konden kinderen niet lezen of schrijven. Er werden wel verhalen verteld door minstrelen. Sommige van die verhalen en liedjes werden opgeschreven. Boeken waren in die tijd zeldzaam en kostbaar. Ze werden met de hand geschreven en er bestond van een boek vaak maar één exemplaar. Als je een kopie wilde, moest het met de hand worden overgeschreven.
Rond 1450 werd de boekdrukkunst uitgevonden. Daardoor werden boeken goedkoper. Nu het mogelijk was om boeken te drukken, wilden christenen de bijbel in het Nederlands schrijven, zodat iedereen het boek kon lezen. Maar het Nederlands bestond nog uit verschillende dialecten. Geleerden besloten daarom uit álle dialecten woorden op te nemen. De Statenbijbel was in 1637 klaar. Dankzij deze bijbel werd het Nederlands steeds meer één taal.
In die periode vestigden zich veel nieuwe inwoners in Amsterdam. Zij waren op de vlucht voor de Spaanse koning Filips II. Deze vluchtelingen brachten geld mee, en hun taal. Het waren rijke handelaren, schrijvers, schilders en geleerden. Rijke Amsterdammers namen hun gewoontes en taal over. Dat vonden ze beschaafd en ze voelden zich beter dan het ‘gewone’ volk in de stad en op het platteland. Het dialect dat deze mensen spraken, vonden ze maar ‘plat’.



Een boek was in de middeleeuwen net zo duur als een groot huis. Rijk versierde boeken waren het duurst. Deze kostbare boeken kregen tekeningen in de kantlijn. En de eerste letter op de bladzijde werd versierd, vaak met bladgoud.

Spelling

Je ziet dat de gesproken taal steeds veranderde. Ook gingen mensen nadenken over de spelling. Het duurde nog tot 1804 voordat er vaste spellingregels kwamen. Maar die regels veranderden ook steeds. Zo schreven kinderen honderd jaar geleden nog mensch en neen. Omdat we die woorden niet meer zo uitspreken, is de spelling ervan ook veranderd.
In de afgelopen eeuwen zijn er veel woorden in de Nederlandse taal gekomen vanuit het buitenland, bijvoorbeeld Spaanse, Franse en Indonesische. Eigenlijk praten we dus een mengelmoes van oude Nederlandse en Belgische dialecten, een beetje Frans, Duits, en nog wat woorden uit andere talen. Bovendien hebben jongeren hun eigen groepstaal. Die taal verandert snel. Iets leuks noemden jongeren eerst ‘knal’, toen ‘tof’ en later ‘vet’ of cool’.

Dit is een samenvatting van Informatieboekje 51 De geschiedenis van onze taal.



 

Details en informatie

  • Titel: De geschiedenis van onze taal
  • Auteur(s): Hanneke Siemensma
  • Nummer: 52
  • Siso: J 844.6