Noordhoff Uitgevers

De Gouden Eeuw

Voor Nederland was de 17e eeuw (1600-1700) de Gouden Eeuw. Het was een tijd van grote rijkdom. De grachtenpanden in Amsterdam en het Paleis op de Dam werden in die tijd gebouwd. Vooral kooplieden werden schatrijk met de handel. Ze kochten spullen en verkochten ze voor meer geld door. Van de winst lieten ze mooie huizen bouwen. 
Amsterdam was in de Gouden Eeuw de belangrijkste havenstad van Europa. Er waren honderden pakhuizen, vol met spullen zoals graan, huiden en hout. Ook in andere Nederlandse steden werd gehandeld. In Leiden en Delft werden stoffen geweven om aan andere landen te verkopen. In Dordrecht en Haarlem brouwde men bier. En vanuit Enkhuizen en Rotterdam verkocht men de haring die Hollandse vissers op grote schaal vingen.


Het Paleis op de Dam werd in de Gouden Eeuw gebouwd als stadhuis. Nu ontvangt Koning Willem-Alexander er zijn belangrijke buitenlandse gasten.

Varen over de wereld

Vanuit Nederland vertrokken veel schepen naar Azië. Ze kochten daar specerijen, dat zijn kruiden om door het eten te doen of om medicijnen van te maken. De tocht met een zeilschip duurde soms wel een jaar en was gevaarlijk. Veel schepen vergingen, en soms roofden piraten of zeerovers de lading. Handelaren spraken daarom af dat ze gingen samenwerken. Ze richten de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de VOC, op. Ze handelden in specerijen, maar ook in koffie, thee, tabak en andere spullen. En ze veroverden land. De VOC maakte van Java en de Molukse eilanden een kolonie en speelde er de baas. Boeren moesten voor de VOC werken. Ze werden slecht behandeld. 

Leven in de Gouden Eeuw

Er woonden in de 17e eeuw 2 miljoen mensen in Nederland. Dat zijn er nu 17 miljoen. Veel mensen woonden in steden in het westen van het land. Daar was veel werk te doen door de handel. De kooplieden woonden in hun grote grachtenpanden. In de straatjes tussen de grachten woonden arme gezinnen. Soms woonde er een heel gezin in één kamer. Het stonk erg in de steden. Dat komt omdat er nog geen toiletten en riolen waren. Mensen gooiden hun afval en hun poep en plas uit de po’s zo in de grachten. Vooral als het warm was, stonk het vreselijk. De kooplieden lieten daarom buiten de stad huizen bouwen met prachtige tuinen erbij. In de zomer woonden ze daar met hun gezin en bedienden. Langs de Amstel en de Vecht kun je deze buitenhuizen nog zien.

Kinderen

In de Gouden Eeuw kostte het geld om naar school te gaan. Niet alle ouders konden dat betalen. Kinderen die naar school gingen, leerden lezen, schrijven en rekenen. Wie niet naar school kon, ging werken. Kinderarbeid was heel gewoon in die tijd. Soms werkten kinderen al als ze zes jaar waren. Jongens veegden werkplaatsen aan, brachten boodschappen rond of laadden schepen uit. Meisjes hielpen hun moeder of ze werkten als dienstmeisje, wasmeid of keukenhulp. Arme boerenkinderen werkten op de boerderij en op het land. 


Deze kinderen – ze zitten op tafel – werken bij een kleermaker.


Dit is een samenvatting van Junior-Informatieboekje 322 De Gouden Eeuw.

Details en informatie

  • Titel: De Gouden Eeuw
  • Auteur(s): Darja de Wever
  • Nummer: 322
  • Niveau: 2
  • Siso: J 926.3