Noordhoff Uitgevers

De markt

Schreeuwende kooplui en marktverkopers die grapjes maken. Dat hoort echt bij de markt. Ze proberen hun waren te verkopen. Dat zijn hun spullen. Bezoekers van de markt lopen langs de kraampjes. In hun tassen zit groente en fruit. Maar op een markt zijn nog veel meer dingen te koop. In bijna elk dorp en elke stad is wel een markt. Bijvoorbeeld één keer in de week, op een vaste dag. Soms zijn er meerdere markten, op verschillende dagen. Deze wekelijkse of soms dagelijks markten heten warenmarkten. Er wordt van alles verkocht. Er zijn ook speciaalmarkten. Daar wordt maar één ding verkocht. Bijvoorbeeld stof of bloemen of vis.










Veel mensen vinden het gezellig om op de markt hun boodschappen te doen. De spullen zijn meestal ook goedkoper dan in de winkel.

Iedere marktkraam is een soort winkeltje. Het is ongeveer drie bij vier meter groot. Een kraam bestaat uit ijzeren rekken. Bovenop komt zeildoek. Alle koopwaren worden uitgestald op lange houten planken. De prijs van alle spullen wordt op bordjes geschreven. Meestal staan er ook een paar verkoopwagens op de markt. Daar worden bijvoorbeeld patat of Vietnamese loempia's verkocht. Een marktmeester zorgt ervoor dat alles op de markt goed verloopt. Hij wijst plaatsen aan. Hij controleert ook of de verkopers zich aan de voorschriften van politie en brandweer houden. Dat zijn regels voor bijvoorbeeld de veiligheid.












Een marktkoopman moet dikke kleren aantrekken.

Om op de markt te mogen staan, moet je een vergunning hebben. Dat is een bewijs voor toestemming van de gemeente. Soms duurt het lang voordat iemand een vaste standplaats heeft. Dat is een vaste plek, waar iemand elke week met zijn kraam kan staan. Een marktkoopman of –vrouw is 'eigen baas'. Iemand die verse waren verkoopt, gaat 's morgens eerst naar de groothandel. Daar koop je je handelswaar in. Wie op de markt werkt, moet dus vroeg op. Verder moet je veel sjouwen en goed kunnen rekenen. En als het koud is buiten, kun je het beste dikke kleren aantrekken.

Markten bestaan al heel lang. Vroeger waren het plekken waar mensen spullen konden ruilen. De oudste markt is waarschijnlijk die van Zwolle. Zelfs vanuit Duitsland brachten mensen spullen naar Zwolle. Boeren trokken vanaf het platteland naar markten. Ze ruilden er vee, groente of kaas voor bijvoorbeeld kleding, schoenen en aardewerk. Tot ongeveer het jaar 1800 hadden mensen de markten echt nodig. Er waren nog geen winkels. Op de markt waren toen ook nog kleermakers, timmerlieden, mandenmakers, scharenslijpers en koekenbakkers. Je ging er ook naartoe als je een gebit of een bril nodig had.

Details en informatie

  • Titel: De markt
  • Auteur(s): Diana Doornenbal
  • Nummer: JC269
  • Niveau: 1
  • Siso: J 372.6