Noordhoff Uitgevers

De metro

Ben je wel eens met de metro geweest? Dat is een trein die onder de grond rijdt. Handig, want boven de grond merk je er niets van. Je ziet alleen hier en daar een trap naar beneden gaan. Met een metro kun je snel door een stad reizen. Je vindt metro's vaak in grote, drukke steden. Overal in de wereld, van Parijs tot New York en Moskou. Oude steden hebben vaak smalle straatjes. Daar past niet zoveel verkeer tegelijk doorheen. Door ondergronds een trein te laten rijden, hoeft er boven de grond ook niet zoveel verkeer door. De metro neemt honderden mensen tegelijk mee en vertrekt ongeveer elke tien minuten.

Sommige metrolijnen liggen heel diep onder de grond. Daar is gelukkig een roltrap.

Metronet

Een metro stopt op heel veel stations. Er is dus altijd een metro in de buurt en je kunt overal in de stad komen. Elke trein heeft een vaste route (zeg: roete). Dat is de metrolijn. Om van de ene metrolijn op de andere te komen, moet je overstappen. Omdat er soms wel tien metrolijnen zijn, kun je je eigen weg uitstippelen. Die metrolijnen samen noem je het metronet. Een metro kan wel tachtig kilometer per uur rijden. Vlak voor elk station remt de metro af. Via de intercom wordt omgeroepen op welk station je dan bent.
Bij de ingang van een metro zijn meestal klapdeurtjes. Die gaan alleen open als je er een geldig kaartje in doet. In de metro hoef je dan niet meer gecontroleerd te worden.

In Nederland kun je in Rotterdam en in Amsterdam met de metro. De Rotterdamse metro was in 1968 klaar. Toen hij openging, kregen alle Rotterdammers een briefje van de burgemeester en een gratis metrokaartje. Dan kon iedereen zien hoe mooi de metro was geworden, en hoe makkelijk het reizen ging. In Amsterdam ging de metro tien jaar later open. Niet iedereen was er meteen blij mee. Het gaf veel overlast in de stad. Er komt nu weer een nieuwe lijn bij: de Noord-Zuidlijn. Weer liggen er overal straten open. Rotterdam en Amsterdam hebben allebei ongeveer honderd treinstellen. De metro rijdt er ongeveer 35 kilometer per uur.

De lijnen van het metronet zijn met kleuren en nummers aangegeven. Dat maakt het zoeken gemakkelijk.

Moderne metrotunnels bestaan uit grote buizen. Graafmachines graven een grote geul en dan gaan de buizen de grond in. Daar worden ze aan elkaar vast gemaakt. Tunnels onder water worden ook op die manier gemaakt, ze heten zinktunnels. Een tunnel kun je ook maken door te boren. Een tunnelboormachine is ongeveer zeven meter dik en zestig meter lang. Aan de voorkant graaft het draaiwiel alle grond en stenen weg. Daarachter worden stukken buis geplaatst. Zo groeit de tunnel met ongeveer acht meter per dag. Met het graven worden wel eens interessante vondsten gedaan. Dingen van vroeger, bijvoorbeeld messen, potten en schedels.

Details en informatie

  • Titel: De metro
  • Auteur(s): Jeroen Blokhuis
  • Nummer: JC185
  • Niveau: 1
  • Siso: J 657.82