Noordhoff Uitgevers

De middeleeuwse stad

Wat zal het gestonken hebben in de middeleeuwse stad. Varkens en kippen liepen gewoon op straat. Er is geen stromend water, dus ook geen douche en wc. Mensen poepen en plassen op de po of buiten in een goot. Dat is het riool. Het riool komt uit in de rivier. Huisvuil wordt op straat of in de rivier gegooid. En in dat rivierwater wassen de mensen zichzelf en hun kleren. Ze gebruiken het ook om eten te koken. Mensen werden daarom snel ziek, en niet erg oud. Soms maar dertig jaar. De middeleeuwen duurde zo'n duizend jaar, van het jaar 500 tot 1500.










Dit was heel gewoon in die tijd. Wij zouden onze neus dichtknijpen en hard wegrennen!

Van dorp tot stad

Aan het begin van de middeleeuwen bestaan er nog geen steden. Het land is verdeeld in gebieden waar een graaf, hertog of bisschop de baas is. Boeren werken op het land bij een kasteel, in dienst van de kasteelheer. Kastelen, huizen en boerderijen liggen meestal ver van elkaar af. Winkels zijn er niet. Marskramers gaan bij mensen langs om spullen te verkopen. Zo'n handelaar verkoopt scharen, veters, knopen, pannen en nog veel meer. Omdat er vaak roversbenden door het land trekken, vluchten de mensen naar een kasteel of klooster. In een klooster wonen en werken monniken. Deze mannen bidden veel en denken veel aan God. De dikke muren beschermen de mensen. Veel mensen willen in of bij een klooster wonen. Zo ontstaan er dorpjes, en die groeien later uit tot steden.











Oude stadspoorten liggen nu meestal midden in de stad. Vroeger hield de stad daar op.

In de middeleeuwse stad zijn veel arme mensen. Ze wonen in kleine houten huisjes. Vaak is er maar één kamer. Daar woont en slaapt de hele familie. Sommige arme mensen hebben zelfs helemaal geen huis. Ze leven op straat, ze zijn 'straatarm'. Rijke mensen wonen in huizen van steen. Zij zijn 'steenrijk'. Ook belangrijke gebouwen zoals de kerk en het stadhuis zijn van steen. De arme mensen in de houten huizen leefden zuinig. Als het donker werd, gingen ze naar bed. Dat spaarde kaarsen uit. Maar soms vergat iemand voor het slapen gaan de kaars uit te blazen. En dan brak er brand uit. Daarom was er een nachtwacht. Hij liep 's nachts door de straten om op te letten.

De mensen in de stad heten poorters. Ze wonen binnen de stadspoort. Veel poorters zijn ambachts-lieden. Ze maken met hun handen dingen om te verkopen. Brood, rieten manden en mooie stoffen voor kleding. De ambachts-lieden zijn allemaal lid van een gilde. Dat is een groep mensen die hetzelfde beroep hebben. Ook kinderen werken in de middeleeuwse stad. Soms al als ze zes of zeven jaar zijn. Jongens werken in het bedrijf van hun vader. Of ze leren een ambacht. Ze beginnen als knecht. Meisjes werken in het huishouden bij rijke mensen, of ze helpen thuis. Rond 1200 gaan alleen jongens uit rijke gezinnen naar school. Veel later komen er ook scholen voor kinderen van ambachts-lieden.

Details en informatie

  • Titel: De middeleeuwse stad
  • Auteur(s): Truus Visser
  • Nummer: JC250
  • Niveau: 2
  • Siso: J 934.3