Noordhoff Uitgevers

De ooievaar

Een ooievaar is een grote vogel met lange, dunne poten. Vanwege die lange poten wordt hij een steltloper genoemd. De poten en de snavel van een ooievaar zijn rood. Zijn veren zijn wit, alleen de punten van de vleugels zijn zwart. Een ooievaar eet graag veldmuizen, slakken, kikkers, mollen, wormen en grote insecten. Die zoekt hij in een moeras. Dat is een gebied met natte, zachte grond. Mensen kunnen er gemakkelijk in wegzakken. Een ooievaar heeft zwemvliezen tussen zijn tenen. Daardoor kan hij in het gebied rondlopen. Ooievaars kunnen ook prima vliegen. Als ze hun vleugels uitspreiden, is de spanwijdte wel twee meter.

Er komen steeds meer ooievaars in Nederland. Er broeden in ons land ongeveer driehonderd paren.

Nest

Vroeger werd wel gezegd dat baby's door de ooievaar werden bezorgd. Dat is natuurlijk een fabeltje, een verzinsel. Door dat oude verhaal zie je in Nederland vaak ooievaars als er ergens een baby is geboren. Zo staat er bijvoorbeeld vaak een namaak-ooievaar in de tuin van een gezin waar een baby is geboren. Of staat er een tekening van een ooievaar op het geboortekaartje.

Ooievaars krijgen zelf natuurlijk ook jongen. Eerst gaat het mannetje naar het nest. Dat is elk jaar hetzelfde nest. Het vrouwtje komt een paar dagen later. De twee ooievaars begroeten elkaar met een luid geklepper van hun snavels.Vaak paart het mannetje steeds met hetzelfde vrouwtje, maar soms komt er een ander vrouwtje naar zijn nest. Het paar maakt eerst het nest weer in orde. De rommel wordt weggegooid. Een paar oude takjes worden verwijderd en er gaan nieuwe takjes in.

Als het nest helemaal klaar is, doen de ooievaars hun paringsdans. Het is een soort ballet waarmee ze elkaar laten weten dat ze graag willen vrijen. Dan klimt het mannetje op het vrouwtje om te paren en haar eieren te bevruchten. De vrouwtjes-ooievaar legt dan drie tot vijf eieren. Ze zijn wit en iets groter dan de eieren van een kip. Na een maand komen ze uit. De ouders voeren de jongen. Ze doen het voedsel niet direct in de snaveltjes. Ze eten het eerst zelf op en braken het dan uit op de bodem van het nest. De jongen eten dat braaksel op. Doordat het zacht is, kunnen de jonge ooievaars het makkelijker eten. Na twee maanden gaan de jongen oefenen met vliegen. Ook beginnen ze zelf eten te zoeken. Als ze drie maanden oud zijn, verlaten ze het nest voorgoed.

Een ooievaarsjong is niet veel meer dan een bolletje dons met een grote kop.

Een ooievaar is een trekvogel. In de zomer vindt hij het in Nederland wel fijn, maar in de winter trekt hij liever naar een warm land. De ooievaars vliegen daarom eind augustus naar Afrika. Ze zijn dan wel drie maanden onderweg en vliegen duizenden kilometers. Door hun instinct weten ze de weg. De reis is best gevaarlijk. Onderweg proberen jagers de ooievaars soms te schieten. In Afrika spuiten de boeren veel vergif tegen sprinkhanen, omdat die hun gewassen opvreten. Doordat ooievaars graag sprinkhanen eten, gaan ze zelf ook dood door het gif.

Als het in Nederland weer mooi weer wordt, vliegen de ooievaars terug. De mannetjes zoeken dan hun oude nest weer op.

Details en informatie

  • Titel: De ooievaar
  • Auteur(s): Anke Heesbeen
  • Nummer: JC133
  • Niveau: 1
  • Siso: J 598.8