Noordhoff Uitgevers

Dieren in de poolgebieden

De gebieden rond de Noordpool en de Zuidpool zijn bijzonder. Het is er altijd koud. In de zomermaanden is het lang licht. De zon gaat dan 's nachts niet onder. En in de wintermaanden komt de zon niet boven de horizon. De dieren die er leven, zijn aangepast aan de extreme kou.
Beide poolgebieden lijken op elkaar, maar er zijn ook grote verschillen. Zo bestaat het gebied rond de Noordpool uit pakijs. Daaromheen ligt open zee. Het zuidpoolgebied, ofwel Antarctica, bestaat uit land met besneeuwde bergen. In het binnenland is het erg droog, het is zelfs het droogste gebied van de hele wereld.
In beide poolgebieden wordt wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de gevolgen van klimaatverandering. Een kleine temperatuurstijging zorgt al voor het smelten van zee-ijs en gletsjers. Daardoor wordt het leefgebied van de pooldieren kleiner.

De gletsjers van het zuidpoolgebied schuiven heel traag naar de zee. Daar breken ze af en zo ontstaan ijsbergen, die afdrijven en langzaam smelten.

Warm blijven

De dieren die in de poolgebieden leven, zijn zo gebouwd dat ze zich warm kunnen houden in de kou. De zoogdieren hebben een dikke vacht. Hun staart en oren zijn klein, hun poten en snuit kort. Want alles wat uitsteekt, kan sneller bevriezen.
Tussen de haren van de vacht zit lucht. Die houdt de warmte van het dier vast. Veel dieren hebben onder hun vacht nog een vetlaag als extra isolatie. Zeehonden, walrussen en andere zoogdieren hebben een vetlaag van wel tien centimeter dik. Het vet houdt hen warm en is tegelijk een voedselvoorraad.
Ook de keizerpinguïns houden zich warm met een dikke vetlaag en met lucht tussen hun veren. In zee leggen ze de veren plat, zodat er geen water tussen kan. Regelmatig smeren ze hun veren in met vet uit een speciale vetklier.
Veel dieren in het noordpoolgebied hebben een vacht die zich aanpast aan de seizoenen. In de zomer is die bruin en in de winter wit, zodat de dieren in de sneeuw niet opvallen.

Er zijn maar een paar dieren die tijdens de strenge winter in de poolgebieden blijven. Bijvoorbeeld de ijsbeer op de Noordpool. De mannetjes blijven rondzwerven en jagen. De vrouwtjes houden een soort winterslaap.
Veel vogels, zoals eidereenden, ganzen en meeuwen, trekken naar warmere streken. De Noordse stern vliegt van de ene pool naar de andere. In de zomer broeden deze vogels in het noordpoolgebied. Aan het eind van de zomer trekken ze naar het zuiden. Op de Zuidpool is het dan zomer en er is volop voedsel te vinden. Zo'n tocht van 16 duizend kilometer duurt ongeveer een half jaar.

Jonge dieren

In de poolgebieden hebben jonge dieren maar een korte tijd om volwassen te worden. Daarom krijgen de meeste pooldieren hun jongen aan het begin van de lente. Zo kunnen de kleintjes de hele zomer groeien om de koude winter aan te kunnen.
De keizerspinguïn heeft een heel bijzondere manier om eieren uit te broeden. Als het vrouwtje een ei heeft gelegd, geeft zij het over haar poten heen aan het mannetje. Hij legt het ei vlak boven zijn poten onder een huidplooi. Het vrouwtje gaat naar zee om vis te vangen. De mannetjes blijven twee maanden lang in de broedkolonie dicht tegen elkaar staan en broeden zo de eieren uit. Daarna zorgt het vrouwtje weer voor het jong en kunnen de mannetjes weer voedsel gaan zoeken.

Het kuiken van een keizerspinguïn heeft dikke donzige veren. De eerste twee maanden blijft het dicht bij zijn moeder om warm te blijven.

Details en informatie

  • Titel: Dieren in de poolgebieden
  • Auteur(s): Anneke Luijendijk
  • Nummer: IC321
  • Niveau: 3
  • Siso: J 596.8