Noordhoff Uitgevers

Dieren in de stad

Je ziet ze niet, maar ze zijn er wel. En meer dan je denkt! Dieren in de stad. En dan geen katten en honden, maar dieren die zichzelf redden. Natuurlijk zijn er allerlei insecten en andere kleine beestjes, zoals spinnen. Dat zijn lekkere hapjes voor iets grotere dieren. Al die dieren vormen samen een voedsel-keten. Aan het einde van die rij staat een roofdier, zoals de ransuil of de vos. Vogels zie je het vaakst, omdat ze overdag actief zijn. Ze vliegen van tuin naar tuin naar park. Maar veel dieren zijn 's nachts wakker. Die kom je dus niet vaak tegen. Muizen en ratten zijn daar voorbeelden van. Het zijn zoogdieren. Hun jongen drinken melk bij hun moeder.
















Er is geen huis waar je geen enkel dier kunt vinden. Vooral spinnen kom je vaak tegen in huis.

Aanpassen

In de stad vind je ook vissen en andere waterdieren. Vroeger kwamen in Nederland veel otters voor. Tegenwoordig zijn ze zeldzaam. Ze kunnen slecht tegen vervuiling en verstoring. Andere dieren passen zich aan. Als hun leefgebied kleiner wordt, trekken ze naar nieuwe plaatsen. Dat kan ook de stad zijn. Daar is het warmer dan op het platteland. Soms scheelt dat wel acht graden. Ook is er altijd genoeg te eten. Een meeuw is een goed voorbeeld van een vogel die zich heeft aangepast. Aan zee eet hij schelpdieren, krabben en wormen. Maar in de stad blijkt hij een echte alleseter te zijn.

Dieren leven ook in onze huizen. Muizen zitten graag in huis onder de vloer. Of tussen de muren. Ook ratten leven in huizen. Bruine ratten houden van vochtige kelders. Zwarte ratten leven graag op zolder of in de dakgoot. Ratten en muizen in huis zijn niet zo fris. Ratten dragen soms nare ziektes bij zich. En muizen snoepen van ons eten. Ook laten ze overal keutels en plasjes achter. Dat is niet hygiënisch. Als je eenmaal muizen of ratten hebt, dan krijg je ze niet zo makkelijk meer weg. Ze krijgen vaak en veel jongen. Al snel is er dan een plaag. Wat goed helpt? Een kat in huis. Er zijn ook bedrijven voor ongedierte-bestrijding. Ze kunnen ook plagen van wespen, vlooien en kakkerlakken stoppen.












Duiven worden vaak de ratten van de stad genoemd. Dat komt omdat ze met veel zijn en hun poep achterlaten.

Buiten zijn ook dieren. In de tuin kom je bijen, hommels en vlinders tegen. Maar ook mollen, slakken en egels. Dat stekelige zoogdier leeft 's nachts. Hij eet naaktslakken, wormen, insecten en spinnen. Als hij gevaar ruikt, rolt hij zich op als een bal. In de winter maakt de egel een nest van bladeren en gras. Daarin houdt hij zijn winterslaap. Een bijzonder dier dat steeds vaker in de stad opduikt, is de steenmarter. Dit roofdier leeft op zolders, in garages, schuren en onder dakpannen. De steenmarter zit ook graag onder de motorkap van auto's. Daar is het lekker warm. Mensen met een auto vinden steenmarters soms lastig. Ze knagen namelijk wel eens de kabels door.

Details en informatie

  • Titel: Dieren in de stad
  • Auteur(s): Tanja Veenstra
  • Nummer: JC222
  • Niveau: 1
  • Siso: J 592.1