Noordhoff Uitgevers

Dieren in het hooggebergte

In een hooggebergte is het erg koud en winderig. Er is niet veel te eten en er is weinig zuurstof. Veel bergtoppen zijn zo hoog dat er geen bomen meer groeien. Door deze omstandigheden kunnen er moeilijk dieren leven. Je vindt dus niet zoveel soorten dieren in een hooggebergte.
De dieren die wél in het hooggebergte wonen, zijn op allerlei verschillende manieren aangepast aan het leven in dit gebied. De alpenkauw bijvoorbeeld, past zijn dieet aan als er in de winter weinig eten is. Dan eet hij ook wel bloemknopjes en droge bessen in plaats van insecten. Fluithazen verzamelen in de zomer ijverig gras en leggen dat op warme stenen in de zon. Als het droog is, sjouwen ze het naar hun hol. Zo leggen ze een wintervoorraad hooi aan van wel 35 kilo. Daar kunnen ze zes tot acht maanden van leven.

Een alpenmarmot heeft een dikke pels, kleine oortjes en korte pootjes. Zo verliest hij zo weinig mogelijk warmte.

Aanpassingen

Het hoogste deel van een hooggebergte, net onder de sneeuwgrens, bestaat vooral uit kale rotsen en stenen. Er komen bijna geen planten voor. De meeste dieren die er leven, zijn microscopisch klein. Kampioenen in overleven zijn insecten en spinnen, die tot 6 kilometer hoogte in de Himalaya voorkomen.
Onder het hoogste deel, nog boven de boomgrens, liggen de alpenweiden. Daar groeien in de zomer volop grassen en andere planten. Veel dieren, zoals herten en gemzen, klimmen daarom in de zomer de berg op, op zoek naar dit voedsel. Sommige roofdieren trekken 's zomers ook de bergen in, zoals de sneeuwpanters in de Himalaya. Zij lopen hun eten achterna: de dieren die planteneters zijn.
Door de korte zomers in het hooggebergte hebben planten en dieren maar weinig tijd om zich voort te planten. Bepaalde hagedissen, adders en salamanders in het hooggebergte zijn dan ook levendbarend. Deze dieren leggen geen eieren, maar baren jongen. Die zijn al flink volgroeid als ze geboren worden, omdat ze zich goed hebben kunnen ontwikkelen in de warmte van het lichaam van de moeder. Bovendien groeien ze daarna erg snel. Zo zijn ze sterk genoeg voordat de winter komt.

Sommige dieren eten zich vet in de herfst. Bijvoorbeeld de jak, een rund dat in de Himalaya rondloopt. De jak leeft van grassen, kruiden en mossen. Daarmee vreet hij zich in de zomer vol, zodat er een vetlaag onder zijn vacht komt. In dat vet zit veel energie. Dat is zijn wintervoorraad. Verder heeft de jak 's winters een extra dikke vacht met twee delen: de onderpels en de bovenpels. De onderpels bestaat uit wollige donsharen die de kou goed tegenhouden. Daaroverheen hangen de dekharen van de bovenpels. Die laag zorgt ervoor dat wind en regen niet in de onderpels kunnen doordringen. Het vet onder de huid van de jak is nog een extra isolerende laag. Ook andere zoogdieren hebben een vacht die ze extra goed beschermt tegen de kou.

Door een pels van twee lagen en daaronder nog een vetlaag kan de jak ook 's winters goed overleven.

Veel dieren in het hooggebergte houden een winterslaap, bijvoorbeeld alpenmarmotten. Die slapen de hele winter samen in een hol, dicht tegen elkaar aan. Hun temperatuur daalt dan en hun hartslag en ademhaling worden langzamer. Daardoor verbruiken ze weinig energie.
Hoog in de bergen zit er weinig zuurstof in de lucht. Omdat zoogdieren in het hooggebergte extra veel rode bloedlichaampjes hebben, kunnen ze er toch overleven. Deze bloedlichaampjes, kleine rode deeltjes in het bloed, nemen namelijk de zuurstof op. Ook krijgen de dieren veel lucht en zuurstof binnen doordat ze extra grote longen hebben. Een voorbeeld van een dier dat daardoor op grote hoogte kan leven is de vicuña (zeg: viekoenja). Dat is een soort lama, die op vijf kilometer hoogte leeft in het Andes-gebergte in Zuid-Amerika.

Details en informatie

  • Titel: Dieren in het hooggebergte
  • Auteur(s): William van den Akker
  • Nummer: IC227
  • Niveau: 3
  • Siso: J596.8