Noordhoff Uitgevers

Eten en gegeten worden

Alle dieren hebben voedsel nodig, anders gaan ze dood. Niet ieder dier eet hetzelfde. Er zijn planteneters, zoals buffels. En er zijn vleeseters, zoals leeuwen.
De buffels eten gras en de leeuwen eten buffels. Dit noemen we een voedselketen.
Aan het begin van een voedselketen staat altijd een plant. Aan het eind een roofdier.
Maar ook roofdieren gaan ooit dood. Zij worden dan gegeten door aaseters. Ook schimmels zorgen ervoor dat dode dieren worden opgeruimd.
Ieder dier moet dus eten. Toch is het vinden van voedsel niet zo simpel als het lijkt. Voordat een dier een ander dier kan pakken en opeten, moet hij het eerst zien te vinden. De meeste dieren hebben daarvoor speciale zintuigen. Dieren hebben ook verschillende jachttechnieken ontwikkeld om aan voedsel te komen. Maar zelfs dan blijft het lastig, omdat prooidieren aangepast zijn om zich te verdedigen tegen roofdieren.

Aan het begin van een voedselketen staat altijd een plant. Aan het eind een roofdier.

Zintuigen en jachttechnieken

Als wij honger hebben, gaan we naar de supermarkt. Daar staan de schappen vol met voedsel. Zo kunnen we gemakkelijk aan eten komen. In de natuur werkt dat anders. Dieren moeten hun zintuigen gebruiken voor het opsporen van een prooi. Dieren die vooral hun zicht gebruiken, zien veel scherper dan mensen. Een roofvogel die van 100 meter hoogte omlaag duikt om een muis te pakken, grijpt zelden mis.
Prooidieren, zoals een konijn, gebruiken hun ogen juist om niet gepakt te worden door een roofdier.
Er zijn ook roofdieren die hun prooi goed kunnen horen. Sommige hebben grote oren, waardoor ze veel geluidsgolven kunnen opvangen. Andere dieren richten hun oren naar de plaats waar het geluid vandaan komt. Een kat bijvoorbeeld. Zijn gehoor is zo scherp, dat hij zelfs het zachtste getrippel van een muis kan horen.
Veel roofdieren kunnen hun prooi goed ruiken. Een ijsbeer ruikt een zeehond soms wel op 20 kilometer afstand!
Dieren hebben verschillende jachttechnieken om aan hun eten te komen. Sommige dieren werken samen tijdens de jacht, zoals wolven. Op die manier hebben ze meer kans om een prooi te vangen. Meestal vangen ze het zwakste dier van een groep. Ze achtervolgen het dier totdat het uitgeput is.
Andere dieren wachten hun prooi op. Bijvoorbeeld leeuwen. Ze liggen in een hinderlaag en wachten tot hun prooi dichtbij is. Dan springen ze eropaf. Een kruisspin weeft een web en wacht tot de prooi verstrikt raakt in de kleverige draden. De meeste jagers vangen hun prooi alleen.

Omdat de ogen van een konijn hoog en aan de zijkant van zijn kop zitten, kan hij niet alleen goed om zich heen kijken, maar ook boven zijn kop kijken.

Prooidieren

Prooidieren zijn aangepast om zich te kunnen verdedigen tegen hun jagers. Sommige dieren doen dat door camouflage. Ze maken gebruik van hun kleur of hun vorm om niet op te vallen in hun omgeving. Een egel verdedigt zich met zijn scherpe stekels. En een schildpad gebruikt zijn schild als pantser. Sommige prooidieren hebben felle kleuren. Roofdieren weten daardoor dat ze deze beesten beter niet kunnen aanvallen. Zo zullen vogels een lieveheersbeestje met rust laten, want zijn rode kleur is een waarschuwing. Het betekent: Pas op! Ik smaak niet lekker!

Details en informatie

  • Titel: Eten en gegeten worden
  • Auteur(s): Bo Buijs
  • Nummer: IC316
  • Niveau: 3
  • Siso: J 7573.3