Noordhoff Uitgevers

Evolutie

Evolutie lijkt iets van heel lang geleden, met dinosaurussen en andere uitgestorven dieren. Maar dat is niet zo. Het ontstaan van nieuwe vormen van planten en dieren noemen we evolutie. En dat gaat nog steeds door. In het dagelijks leven ontstaan geen nieuwe vormen, omdat evolutie in heel kleine stapjes gaat.
Charles Darwin beschreef voor het eerst hoe evolutie werkt. Rond 1833 voer hij mee op het schip The Beagle. Dat schip maakte een ontdekkingsreis. Darwin verzamelde planten, dieren en fossielen. Zo ontdekte hij op de Galapagos-eilanden ten westen van Zuid-Amerika vinken die allemaal dezelfde voorouders hadden. Toch zagen de vinken er per eiland anders uit. De vinken hadden zich aangepast: op één eiland bijvoorbeeld leefden vinken met smalle snavels om insecten te kunnen vangen.


Charles Darwin (1809 -1882) wordt wel de vader van de evolutietheorie genoemd. In zijn tijd had hij veel tegenstanders. Die geloofden niet dat mensen en apen familie van elkaar waren.

Hoe werkt evolutie?

Op de Galapagos-eilanden had Darwin het bewijs gevonden voor zijn theorie.
Namelijk dat door evolutie nieuwe vormen van planten en dieren ontstaan. Veel mensen in die tijd geloofden dat God de wereld geschapen had. Daarom duurde het lang voordat hij zijn ontdekking bekend maakte.
Darwin heeft nooit precies begrepen hoe evolutie werkt. Sinds de ontdekking van DNA zijn we de evolutie beter gaan begrijpen. DNA zit in elke cel van je lichaam. Daardoor kan de cel zijn werk doen. Sommige cellen maken haren, anderen maken traanvocht. DNA bepaalt een deel van je karakter en welke bloedgroep je hebt.
DNA zit ook in een eicel en een zaadcel. Dat komt bij elkaar en wordt gemengd als er een nieuw kind ontstaat. Het kind krijgt DNA van beide ouders, zoals de kleur ogen van de vader en het krulhaar van de moeder.

Drie regels

In de evolutie zijn drie regels van belang. De eerste is variatie. Nakomelingen zijn nooit precies hetzelfde als hun ouders. Jonge konijnen hebben bijvoorbeeld net iets kortere oren dan hun ouders. De tweede regel is: veel eigenschappen zijn erfelijk: bijvoorbeeld je haarkleur.
De derde regel is natuurlijke selectie. Niet alle jongen worden volwassen en planten zich voort. Een konijn met een lichte kleur vacht valt in de natuur erg op. Daardoor zal een roofvogel dit konijn sneller zien en opeten, dan een konijn met een schutkleur. Bij planten werkt de natuurlijke selectie ook. Een voorbeeld. Bladluizen zuigen sap uit bladeren. Sommige planten ontwikkelen haren of stugge bladeren. De bladluizen zoeken dan liever een andere plant.

Evolutie is niet hetzelfde als vooruitgang. Het lijkt misschien alsof soorten uitsterven die zich niet goed aanpassen. En dat nieuwere soorten daarom beter zijn. Maar evolutie is vooral aanpassing en verandering. En uitgestorven dieren waren ooit wel goed aangepast aan hun omgeving.


Biologen hebben bedacht wat voor dieren er in de toekomst op aarde zouden kunnen leven. Hier zie je een verzonnen hagedis die op droge zandvlaktes rondloopt. Hij heeft een grote kraag van gaas met slijm. Als hij snel rondloopt door een zwerm vliegen, blijven die erop plakken. Met zijn tong likt hij die vliegen op.


 

Dit is een samenvatting van Informatieboekje 368 Evolutie.

Details en informatie

  • Titel: Evolutie
  • Auteur(s): William van den Akker
  • Nummer: IC368
  • Niveau: 3
  • Siso: J 368