Noordhoff Uitgevers

Fossielen

Fossielen vertellen iets over de natuur van miljoenen jaren geleden. Ze laten soms ook planten en dieren zien die nu niet meer bestaan. Door fossielen te bestuderen leren wetenschappers hoe deze planten en dieren er lang geleden uitzagen. Zonder fossielen zouden we nooit geweten hebben dat er ooit dinosauriërs hebben geleefd.

Fossielen worden meestal in gesteente gevonden. Miljoenen jaren geleden was dat gesteente zand of klei. Dat kwam als slib uit rivieren op de bodem van zeeën en meren terecht. Dode waterdieren en -planten zakten naar de bodem. Daar werden ze bedekt met nieuwe lagen slib. Na miljoenen jaren veranderde het slib in harde steen. De resten van de dieren en planten versteenden. Omdat de aarde voortdurend in beweging is, komen deze versteende resten soms aan de oppervlakte. Soms wordt het gesteente zo hoog opgetild, dat het een gebergte wordt. En dan kun je op de top van zo'n berg een fossiel vinden van een zeedier!

Fossiele schelpen vind je vooral in kalksteen.

Vreemde dieren

Een dood dier kan alleen een fossiel worden als het niet verrot of opgegeten wordt. Daarvoor moet het dier vrij snel bedekt worden door een laag slib. In woestijnen kunnen ook fossielen ontstaan. Daar wordt een dood dier bedekt met zand of het droogt snel uit. Meestal worden alleen de harde delen, zoals de botten, fossiel. In de loop van miljoenen jaren wordt de kalk waaruit de botten bestaan, vervangen door kiezelzuur. Kiezelzuur zit in veel soorten steen. Een fossiel kan ook nog op een andere manier verstenen. Soms lost de kalk van botten op. Er ontstaat dan een holte. Die holte kan opgevuld worden door kiezelzuur. Er ontstaat dan eigenlijk een kopie van het bot. Ook dat duurt miljoenen jaren.

Niet alleen botten kunnen een fossiel worden. Ook eieren en keutels kunnen verstenen. In China zijn veel fossiele eieren van dinosaurussen gevonden.

Vaak blijft alleen een afdruk van een dier of plant in steen achter. Bijvoorbeeld een pootafdruk of een blad. Door die afdrukken weten we dat dinosaurussen in kuddes leefden en dat varens er miljoenen jaren geleden net zo uitzagen als nu.

Sommige gesteenten bestaan uitsluitend uit fossielen. Kalksteen is daar een goed voorbeeld van. Het is opgebouwd uit miljarden huisjes en schelpen van diertjes die miljoenen jaren geleden in zee leefden. Barnsteen is versteende hars uit naaldbomen. Er zitten vaak mooie fossielen in van insecten.

De oudste fossielen zijn meer dan 3 miljard jaar oud. Het zijn fossielen van bacteriën.

In Nederland zijn ook fossielen te vinden. In Zuid-Limburg zit steenkool in de bodem. Daarin zitten veel fossielen van boomvarens. In de mergel van Limburg zitten fossielen van zee-egels en inktvissen. Er worden af en toe ook resten gevonden van een mosasaurus, een dinosaurus van wel vijftien meter lang. Bij Winterswijk zijn pootafdrukken en fossielen gevonden van dinosauriërs. En vissers op de Noordzee vinden in hun netten soms kiezen van mammoeten die duizenden jaren geleden op de drooggevallen bodem van de Noordzee leefden.

Je kunt niet alles over een dier te weten komen als je fossielen bestudeert. Niemand weet bijvoorbeeld welke kleur dinosauriërs hadden. En ook weet niemand hoe hun ogen eruitzagen en of de dieren geluid maakten. Door het werk van paleontologen komen we elk jaar meer te weten over de dieren en planten uit het verleden.

Hier zie je een kies van een mammoet. Hij komt van de bodem van de Noordzee.

Details en informatie

  • Titel: Fossielen
  • Auteur(s): Jan-Willem Driessen
  • Nummer: IC166
  • Niveau: 3
  • Siso: J 576