Noordhoff Uitgevers

Fotosynthese

Planten leven van water en lucht. Ze maken hun eigen voedsel, glucose. Dat doen ze van deeltjes water en lucht, fotosynthese helpt hen daarbij. Fotosynthese betekent: met behulp van licht iets nieuws maken. Elke stof, dus ook een plant, bestaat uit atomen. Atomen kunnen zich met elkaar verbinden en dan heet het een molecuul. Tijdens de fotosynthese gebeurt het volgende. In het blad worden moleculen, een combinatie van atomen, uit elkaar gehaald. Vervolgens maakt de plant er suikermoleculen van. Hij verbindt de verschillende atomen weer met elkaar, maar dan wel op een andere manier. Hij heeft iets nieuws gemaakt: glucose.
Vroeger hadden mensen geen idee van fotosynthese. In 1772 werden de eerste proeven gedaan, die leidden tot de ontdekking van fotosynthese. In 1779 deed de Nederlander Jan Ingenhousz verdere proeven met planten en licht. Hij ontdekte de fotosynthese en ook hoe belangrijk die is voor het leven op aarde.


Dit waterplantje, waterpest, maakt zuurstof als er licht op valt. Je ziet dan kleine belletjes opstijgen. Zo ontdekte Jan Ingenhousz de fotosynthese.

Suikerfabriek

Een plant heeft water en lucht nodig om glucose te maken. De plant regelt dat met de huidmondjes die op het blad zitten. Bij droog weer gaan ze dicht, bij vochtig weer staan ze wijd open. Een beukenblad heeft wel 500 duizend huidmondjes!
Het blad krijgt ook water via buisjes die doorlopen tot in de wortels. De wortels zuigen dat water uit de grond.
Bladgroenkorrels kun je vergelijken met een fabriek. In een fabriek worden producten gemaakt. Daarbij zijn drie dingen belangrijk: grondstoffen, energie en machines. Bladgroenkorrels in een blad maken het product glucose. De grondstoffen zijn water en CO². De machine is het chlorofyl. En als energie wordt zonlicht gebruikt. Die energie is nodig om de moleculen uit elkaar te halen en om daarvan suikermoleculen te maken. Zonder zonlicht gebeurt er niets in de plant. Nu begrijp je ook waarom mensen hun planten voor het raam zetten en niet in de kast onder de trap.
Voor een plant is het dus heel belangrijk om zoveel mogelijk energie op te vangen. Het hoeft niet van zonlicht te komen. In kassen groeien planten uitstekend onder grote tl-lampen. Veel planten kunnen een beetje draaien, zodat ze zo gunstig mogelijk naar de zon gericht staan.
Leg eens een aardappel op de vensterbank of op een andere lichte plek. Na een aantal dagen wordt hij groen. De aardappel maakt dan chlorofyl aan.
Witlof is een witte groente. Hij wordt in het donker gekweekt. Komt er licht bij, dan begint witlof chlorofyl aan te maken en andere stoffen, waardoor hij minder lekker smaakt.


Aan deze prei kun je zien welk deel in het licht stond en welk deel onder de grond zat.

Op sommige plekken op aarde is maar weinig zonlicht, zoals op de bodem van de zee. Toch groeien daar ook planten, roodwieren. Zij hebben een iets ander chlorofyl en gebruiken het weinige zonlicht heel efficiënt.

Suiker als brandstof

Planten leven niet alleen van de glucose die ze maken, glucose dient ook als brandstof, als energie. Een plant maakt ook cellulose en houtstof, dat zijn materialen die stevigheid geven aan een plant. Het bijzondere is dat een plant al die stoffen van glucose kan maken. Op die manier wordt glucose dan gebruikt als grondstof om andere stoffen te maken, bijvoorbeeld ijzer, kalk of zwavel.

Details en informatie

  • Titel: Fotosynthese
  • Auteur(s): Lynette de Ruijter en Ferry Siemensma
  • Nummer: 37
  • Niveau: 5
  • Siso: J 583