Noordhoff Uitgevers

Geschiedenis van de taal

De eerste zin die in het Nederlands werd opgeschreven, gaat zo: ‘Hebban alla vogala nestas hagunnan, hinaese hic enda thu’. Die zin werd geschreven door een monnik die zijn pen wilde uitproberen, ongeveer duizend jaar geleden. Het betekent letterlijk: Hebben alle vogeltjes nestjes begonnen behalve ik en jou. Dat is heel ander Nederlands dan wat we tegenwoordig schrijven en spreken. Hoe de woorden toen precies uitgesproken werden, weet niemand. In die tijd kon je nog geen geluid opnemen. Gelukkig zijn de opgeschreven woorden bewaard gebleven. De taal verandert voortdurend. Er komen woorden bij. Maar er verdwijnen ook woorden, bijvoorbeeld van dingen die we nu niet meer gebruiken.
   
Monniken schreven boeken met de hand! Daar komt de uitdrukking ‘monnikenwerk’ vandaan. Dat wil zeggen: een hele klus.

Middelnederlands (1170-1500)

Duizend jaar geleden woonden de meeste mensen op boerderijen of in dorpen. Mensen uit verschillende dorpen hadden niet veel contact met elkaar. Daarom spraken ze allemaal een eigen soort Nederlands. Het leek wel op elkaar, maar was toch overal anders. Die verschillen binnen het Nederlands noemen we dialecten. Die bestaan nu ook nog. Mensen in Amsterdam praten anders dan in Brabant, of in Rotterdam of in Groningen. Vroeger ging niet iedereen naar school om te leren lezen en schrijven. Zeshonderd jaar geleden waren er maar weinig mensen die dat konden. Gewone mensen en kinderen niet. Alleen geleerde mensen en monniken leerden het. Maar omdat ze ver uit elkaar woonden, verstonden ze elkaar niet. Ze schreven daarom in het Latijn. Dat is de oude taal van de Romeinen. Veel middeleeuwse boeken zijn in die taal geschreven. Er werden ook boeken in het Middelnederlands geschreven. Dat is het Nederlands dat tussen 1170 en 1500 werd geschreven en gesproken.

Leenwoorden

Ons Nederlands van nu is eigenlijk een mengsel van allerlei talen. Veel woorden zijn overgenomen uit andere talen. Tussen 1650 en 1800 namen Nederlanders veel woorden over uit het Frans, want dat vonden ze mooi en deftig. Tegenwoordig nemen we veel woorden over uit het Engels. Je hoort die taal veel op de televisie en de radio en bij computers. Buitenlandse woorden die in de Nederlandse taal gebruikt worden, noemen we leenwoorden. Mensen met bepaalde beroepen spreken onderling een eigen vaktaal. De speciale taal van mensen met een bepaalde hobby, godsdienst of leeftijd heet groepstaal. Als je met je klasgenoten op het schoolplein praat, gebruik je ook een groepstaal. Jongeren hebben eigen kleding, eigen muziek en dus ook een eigen taal. Jongerentaal verandert snel. Iets wat nu leuk is noem je misschien 'cool' of 'vet'. Een paar jaar geleden was dat nog 'tof of 'gaaf'. Wie hip wil zijn, spreekt turbotaal. DJ's op de radio bijvoorbeeld. Ze gebruiken afkortingen en Engelse woorden. Turbotaal verandert ook steeds. Sommige woorden worden maar zo kort gebruikt dat ze niet eens in een woordenboek terecht komen.
Vaktaal wordt ook wel 'jargon' genoemd. Als artsen dat met elkaar spreken, snappen buitenstaanders vaak niet waar ze het over hebben.

Dit is een samenvatting van Informatieboekje 03 Geschiedenis van de taal.

Details en informatie

  • Titel: Geschiedenis van de taal
  • Auteur(s): Hanneke Siemensma
  • Nummer: 3
  • Niveau: 4
  • Siso: 834