Noordhoff Uitgevers

Goud

Goud is een bijzonder metaal. Het is zacht, geel en kostbaar. Mensen dragen sieraden van goud. Vroeger betaalden ze met gouden munten. Hele volkeren zijn uitgemoord omdat ze goud bezaten. Rond 1500 roofden de Spanjaarden veel goud van de indianen in Midden- en Zuid-Amerika. Ze zochten daar naar het goudland Eldorado. In 1845 was de Amerikaan James Marshall zo dom om te vertellen waar hij een klompje goud had gevonden. Duizenden goudzoekers ploegden daarna zijn land om. In het graf van de Egyptische farao Toetanchamon werd een schat aan gouden voorwerpen gevonden. Goud wordt ook in de ruimtevaart gebruikt. En in veel computers zit goud!
Al duizenden jaren proberen mensen goud te vinden om rijk te worden. Nog steeds wroeten ze op veel plaatsen op aarde de grond om. De grootste klomp goud werd ooit in Australië gevonden. Hij woog ruim 78 kilo.

Gouden sieraden zijn een teken van rijkdom.

Op zoek naar goud

Goud ontstaat uit heet, vloeibaar magma. Dat zit binnen in de aarde. Als magma afkoelt, wordt het hard. Het heet dan rots. Soms ontstaat daarbij goud. Het goud kan op verschillende manieren in de aarde voorkomen.
Zijn het heel kleine deeltjes, dan heet het stofgoud. Zijn het klompjes, dan heten ze 'nuggets'. Zit goud in een lange, smalle laag in de grond, dan noem je dat een goudader. Goudaders liggen vaak op plaatsen waar vroeger vulkanen zijn geweest.
Op de bodem van sommige rivieren wordt goud gevonden. Het water komt van de bergen af en voert de goudkorreltjes mee. Als het rivierwater langzaam stroomt of stilstaat, zakken de gouddeeltjes naar de bodem.
In zeeën en oceanen zit veel goud. Elke kubieke meter (dat is 1000 liter) zeewater bevat ongeveer 0,03 milligram goud.
In de vorige eeuw (1900-2000) werd in Afrika het meeste goud gevonden. Veel goud wordt ook gevonden in de Verenigde Staten, Australië, China, Canada, de Russische Federatie, Peru, Oezbekistan, Indonesië en Brazilië. In Roemenië wordt het meeste goud van Europa uit de grond gehaald. In Nederland zit geen goud in de bodem.

Een brok steen waar goud in zit, heet gouderts.

Rond 1850 trokken duizenden goudzoekers naar Californië om daar goud te zoeken. Een goudzoeker had een schop, een platte pan en een houweel nodig. Met de schop schepte hij zand in de pan. Daarna liet hij water in de pan lopen en bracht het water aan het draaien. Daardoor kwamen de lichte zanddeeltjes boven. De zwaardere goudkorrels zakten naar de bodem. Na een hele poos draaien en spoelen konden de goudkorrels met de hand uit de pan worden gehaald.
De meeste goudzoekers vonden zó weinig goud dat ze er niet van konden leven. Maar enkele goudzoekers werden rijk van hun vondst. Als je heel veel geluk had, vond je een bonanza, een plaats met veel goud.

Goud was vooral voor de rijke mensen. Koningen en kerkvorsten lieten soms op een bijzondere manier zien hoe rijk ze waren. Ze lieten het dak van hun paleis, kerk of moskee met bladgoud bedekken. Bladgoud is ontzettend dun. Als je 10.000 velletjes bladgoud op elkaar legt, is dat pakje maar één millimeter dik! In Nederland is de Gouden Koets bedekt met bladgoud. Hij is het pronkstuk van het Nederlandse koningshuis.
In 1969 landden de Amerikanen Armstrong en Aldrin als eerste mensen op de maan. Ze droegen een ruimtehelm met een heel dun laagje goud. Dit laagje goud kaatste de gevaarlijke ultraviolette straling van de zon terug.

De Egyptische farao's kregen in hun graf een gouden masker op.

Details en informatie

  • Titel: Goud
  • Auteur(s): Josée Gruwel
  • Nummer: IC125
  • Niveau: 3
  • Siso: J 672.6