Noordhoff Uitgevers

Groente en fruit

Het meeste voedsel dat je eet, komt van planten. Je kunt ze zelf verbouwen. Dan krijg je 's avonds eten op je bord dat uit je eigen tuin komt. Veel mensen hebben zo'n moestuin als hobby. Ze telen er allerlei soorten groente en fruit, zoals aardappelen, uien, bieten, wortelen, bonen, bessen en aardbeien. Maar niet alle mensen hebben een moestuin. Daar is niet genoeg grond voor. Hun voedsel wordt door boeren en tuinders verbouwd. Die verkopen hun spullen weer aan de supermarkt en de groenteman. Dit zijn vaak kant-en-klare spullen, zoals boerenkool. Die is vaak al gewassen, gesneden en verpakt. Maar er zijn ook producten die nog verwerkt moeten worden. Graan is zo'n product. Daar maakt een fabriek meel van. En dat meel gebruikt de bakker om brood van te bakken. Zo komt ook je boterham van een plant.

Veel mensen hebben een moestuin als hobby. Ze hebben er plezier in en eten bovendien uit eigen tuin.

Supergroot en heel veel

Veel soorten groente en fruit kwamen vroeger alleen in het wild voor. Soms bestaan die wilde soorten nog steeds. Bosaardbeien bijvoorbeeld. Die zijn ook erg lekker, maar ze zijn veel kleiner dan de aardbeien in de winkel. Dat komt omdat de kwekers ze hebben veredeld. Dat betekent dat ze steeds de grootste en de beste aardbeien hebben uitgezocht en daar weer nieuwe plantjes van hebben gekweekt. Zo zijn in de loop van de tijd allerlei nieuwe rassen ontstaan. Het ene ras geeft supergrote aardbeien. Een ander ras geeft heel zoete vruchten. Mensen die hun eigen groente verbouwen, hoeven niet voor alles naar de winkel. Ze zijn voor een deel zelfvoorzienend. Ze verbouwen niet om te verkopen, maar gewoon voor zichzelf. Zij produceren op een kleinschalige manier.

Op een appelkwekerij staan duizenden appelboompjes. Van de appels wordt onder andere appelmoes en appelsap gemaakt.

Maar als je groente en fruit verbouwt voor de verkoop, dan moet je wel grootschalig werken. Van de opbrengst van één appelboompje kun je nu eenmaal niet leven. Op een appelbedrijf staan wel meer dan tienduizend bomen. Vaak van verschillende soorten, zoals Goudreinet of Elstar. Sommige appels gaan zó naar de supermarkt. Andere gaan eerst naar de fabriek. Daar wordt er appelmoes en appelsap van gemaakt. De groente en het fruit in de supermarkt komen lang niet altijd uit Nederland. Je hebt appels uit Chili, kiwi's uit Nieuw-Zeeland en peultjes uit Zimbabwe. En dat zijn nog maar een paar voorbeelden. Toch groeien er in Nederland ook veel vruchten en groenten die eigenlijk alleen in warme landen voorkomen. Die worden niet in de openlucht gekweekt, maar in kassen. Daar houden een kachel en de zon de planten warm. Grote lampen zorgen voor voldoende licht.

In kassen worden vruchten en groenten gekweekt die eigenlijk in warme landen voorkomen.

Kwekers zorgen ervoor dat de planten gezond blijven. Zo kijken ze bijvoorbeeld heel precies of er geen beestjes zijn die de planten en de vruchten opeten. Luizen bijvoorbeeld zuigen sap uit de plant. De plant wordt daardoor zwak. De kweker verdient er dan minder aan. Soms spuit hij daarom met gif. Maar dat is eigenlijk niet erg gezond. Een deel van het gif blijft op de planten zitten. Als je ze opeet, krijg je dus ook wat gif binnen. Daarom gebruiken steeds meer kwekers ook andere middelen. Zulke kwekers hebben een biologisch landbouwbedrijf. Zij zetten bijvoorbeeld lieveheersbeestjes op de planten. Die zijn dol op luizen.

Lieveheersbeestjes helpen de kwekers, omdat ze schadelijke bladluizen eten. De kweker hoeft dan geen gif te spuiten.

Details en informatie

  • Titel: Groente en fruit
  • Auteur(s): William van den Akker
  • Nummer: IC071
  • Niveau: 3
  • Siso: J 628.1

Video bekijken