Noordhoff Uitgevers

Hoe dieren zijn gebouwd

Wist je dat jij op een walvis en een kikker lijkt? Dat kun je zien als je hun skeletten met elkaar vergelijkt, ze hebben hetzelfde bouwplan. Dat komt door de manier waarop dieren zijn ontstaan op aarde. De eerste wezens bestonden uit één cel. Sommige cellen ontwikkelden zich tot planten, andere tot dieren.
Alle dieren horen tot een bepaalde soort. Biologen delen diersoorten in groepen in. Daarvoor gebruiken ze lichamelijke eigenschappen, zoals het aantal poten of de bedekking van de huid, zoals veren, haren of schubben. Deze groepen worden weer onderverdeeld in kleinere groepen enzovoort. 
Een belangrijke groep bestaat uit gewervelden: vissen, amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren. Alle andere groepen hebben geen skelet, bijvoorbeeld spinnen, slakken en kreeften.


Een mens en een hond hebben hetzelfde bouwplan. Dat zie je duidelijk als je de skeletten met elkaar vergelijkt.

Gewervelde dieren

Zoogdieren zijn gewervelde dieren. Ze worden zoogdieren genoemd, omdat de moeders hun jongen voeden met melk die uit tepels uit de huid komt. Een belangrijke eigenschap van zoogdieren is dat ze een vacht hebben. Zoogdieren die in de kou leven, zoals een ijsbeer, hebben een dikke vacht. Zoogdieren zijn warmbloedig. Alle zoogdieren hebben vier poten. Ook zoogdieren als walvissen en dolfijnen, dat zie je als je hun skelet bekijkt. De voorpoten zijn vinnen geworden en de achterpoten zijn in de loop van de evolutie bijna verdwenen, ze hebben geen functie meer. 
Vogels stammen ook af van reptielachtige voorouders. In plaats van voorpoten hebben ze vleugels. Als je de botten van een vleugel vergelijkt met een arm, zie je overeenkomsten in het bouwplan, maar ook verschillen. Er zijn bijvoorbeeld minder vingerkootjes. Om te kunnen vliegen moet je zo licht mogelijk zijn, daarom zijn de botten van vogels hol van binnen. 
Reptielen, zoals schildpadden, slangen en krokodillen hebben schubben. Die beschermen hen tegen uitdrogen of tegen andere dieren. Reptielen kunnen hun lichaamstemperatuur niet zelf verhogen. Hagedissen en slangen liggen daarom vaak te zonnen, zodat ze energie krijgen en daarna op jacht kunnen gaan. 
Amfibieën lijken wel wat op reptielen. Een salamander en een hagedis kun je verwarren met elkaar. Maar er zijn enkele grote verschillen. Amfibieën moeten in de buurt van water leven. De huid van kikkers, padden en salamanders is glad, zonder schubben haren of veren, hun huid droogt snel uit.


Koraal komt alleen voor in warme, tropische gebieden. Het lijken planten, maar het zijn dieren. Ze bouwen het koraal, hun skeletten, van kalk dat in zeewater zit.

Ongewervelden

Ongeveer 97% van alle diersoorten zijn ongewervelden, zij hebben geen inwendig skelet. Hun bouwplan is anders dat dan van dieren met een skelet in hun lichaam. In een tropisch aquarium kun je ze goed zien: sponzen, poliepen, zeeanemonen en koralen. Het lijken planten, maar het zijn dieren. Een andere belangrijke groep ongewervelden zijn weekdieren, zoals slakken, mossels en inktvissen. Zij hebben een kop en een romp. Slakken en mossels hebben een schelp die voor stevigheid zorgt en die hen beschermt.
Geleedpotigen, zoals spinnen en insecten bestaan uit losse onderdelen die met elkaar verbonden zijn. Dit zijn een soort ringen waarvan er vaak meer achter elkaar zitten. Een duizendpoot heeft heel veel van deze ringen. Vliegen en mieren hebben er drie, een kop, een romp en een achterlijf.

Details en informatie

  • Titel: Hoe dieren zijn gebouwd
  • Auteur(s): William van den Akker
  • Nummer: 45
  • Siso: J 590.1