Noordhoff Uitgevers

Hooggebergten

In de vakantie trekken miljoenen mensen naar de bergen. Ze gaan er skiën, langlaufen, abseilen, wandelen en bergbeklimmen. Dat is niet altijd zo geweest. Vroeger waren er in de bergen nauwelijks wegen. De weinige mensen die er woonden, waren boeren. Ze leefden van de producten van hun akkers en hun vee, zoals melk, wol en vlees. Wat ze overhielden, verkochten ze aan de mensen in het dal. Door de aanleg van wegen, tunnels en bruggen zijn bergen veel beter bereikbaar geworden. De mensen in de dalen kopen nu goedkopere producten uit andere landen. Veel bergboeren verdienen daardoor niets meer door de verkoop van hun producten. Daarom werken ze nu vaak voor de toeristen. Ze zijn gids geworden of skileraar. Het toerisme levert veel geld op, maar heeft ook nadelen. Er worden skiliften aangelegd en voor de skibanen worden bomen gekapt. De bodemlaag droogt uit en spoelt dan als het regent met het water van de kaal gekapte hellingen. Door deze erosie blijft onvruchtbare rotsgrond over.

Leven in de bergen

 

Bergen komen meestal voor in bergketens. Die kunnen duizenden kilometers lang zijn, zoals de Himalaya en de Andes. Als bergen meer dan 1500 meter hoog zijn, noem je ze hooggebergten. Hooggebergten liggen aan de rand van platen. Deze drijvende stukken aardkorst botsen soms tegen elkaar. Op die plaatsen drukken ze elkaar omhoog. Zo ontstaan bergen. De Alpen zijn ontstaan doordat de Afrikaanse plaat tegen de Europese plaat schoof. Bergen worden weer afgebroken door water, wind en vorst. Door deze erosie slijten ze langzaam maar zeker af tot heuvels.

In het hooggebergte is het koud en er valt veel sneeuw. Boven op de bergen ligt eeuwige sneeuw. Als er veel sneeuw blijft liggen, ontstaan er gletsjers, die langzaam naar beneden schuiven.

Ga je van de top van een berg naar beneden, dan loop je eerst door de sneeuw. Lager op de berg zijn kale rotsen en nog lager groeien mossen en grassen. Dit is het gebied van de bergweiden. Bomen kunnen hier niet groeien, daarvoor is het te koud. Bergbloemen zijn goed aangepast aan de kou. Ze hebben dikke bladeren en harige stengels. Op de bergweiden leven verschillende soorten dieren, bijvoorbeeld bergmarmotten en gemzen. Een gems is een soort berggeit. Nog lager liggen naaldbossen en loofbossen. Uiteindelijk kom je in het dal terecht, waar akkers en dorpen liggen.

Gemzen leven in het hooggebergte.

Hooggebergten zijn dunbevolkt. Dat betekent dat er maar weinig mensen wonen. Dat komt door het klimaat, dat koud en winderig is. Bovendien is de grond niet zo vruchtbaar. Tussen bergen liggen vaak hoogvlaktes. In Zuid-Amerika ligt bijvoorbeeld de Altiplano, een uitgestrekte hoogvlakte. Als de boeren daar last hebben van de ijle lucht, kauwen ze op de bladeren van de cocaplant. Ze verbouwen aardappelen en mais. Er leven ook lama's, een soort kamelen. De mensen maken warme kleren van de wol van deze dieren. De boeren in de Himalaya leven van de melk en het vlees van de yak, een klein soort rund. De mest gebruiken ze als brandstof. Van de wol en de huid maken ze kleding en tenten.

De lama levert wol en wordt als lastdier gebruikt.

Details en informatie

  • Titel: Hooggebergten
  • Auteur(s): Martine van Kolfschoten
  • Nummer: IC174
  • Niveau: 3
  • Siso: J 953.1