Noordhoff Uitgevers

Indianen

Columbus was eigenlijk niet de echte ontdekker van Amerika. Dat waren de indianen. Deze mensen kwamen minstens 25 duizend jaar geleden vanuit Azië naar Amerika en Canada. Er was toen een ijstijd. Een groot deel van het land en de zee was bedekt met een dikke laag ijs. Daardoor konden de indianen over de zeestraat tussen Siberië en Alaska reizen.

Toen Columbus in 1492 in Amerika aankwam, dacht hij dat hij in India was. Daarom noemde hij de inwoners indianen. Tegenwoordig worden de indianen de "Native Americans" genoemd, oftewel de oorspronkelijke bewoners.

De indianen hebben zich verspreid over heel Amerika. Van de kusten in het westen tot de droge gebieden in het zuidwesten en van de hoge bergen tot aan de prairies. De indianen zijn onderverdeeld in allerlei stammen. Elke stam heeft zijn eigen gebruiken. Bijvoorbeeld een eigen geloof, een eigen taal, eigen jachtmethoden en eigen soorten woningen.













De bekendste woning van de indianen is wel de tipi.

Vroeger en nu

Vroeger jaagden de prairie-indianen met pijl en boog op bizons. Dit was niet zonder gevaar. Een bizon weegt namelijk ongeveer 1300 kilo, hij kan heel snel rennen en heeft bovendien gevaarlijke hoorns.

Een veiliger manier was de buffalo jump. De indianen jaagden de bizons dan op door te gillen en te zwaaien, zodat de dieren in de richting van een afgrond liepen. De geschrokken dieren renden dan over de rand en vielen te pletter.

Rond 1500 brachten de Spanjaarden paarden mee naar Amerika. Dit bracht een grote verandering mee voor de prairie-indianen. Het maakte de bizonjacht veel makkelijker. Ook trokken de paarden de wagens met tenten en andere spullen bij de jaarlijkse verhuizing.












De prairie-indianen jaagden veel op bizons. Alles van deze dieren werd gebruikt: het vlees, de botten, de hoorns en zelfs de mest. De huiden werden gebruikt om tipi's van te maken.

De bekendste indianen zijn misschien wel de Sioux. Zij zijn vaak de hoofdrolspelers in films en tv-series over indianen. Er waren vroeger wel honderden verschillende stammen. Die hadden elk hun eigen taal. Je kunt nog steeds aan sommige Amerikaanse namen van gebieden, plaatsen en rivieren zien wat hun Indiaanse naam was. Zo komt de naam Kentucky van het Indiaanse ken-tah-teh, dat "land van morgen" betekent. In totaal waren er zo'n driehonderd indianentalen. Wanneer stammen elkaar tegenkwamen, was het lastig om te communiceren. Om toch met elkaar te kunnen "praten", gebruikten de indianen dan gebarentaal. Ze konden daarmee gevoelens uitdrukken en ook waarschuwingen overbrengen.

Helaas zijn veel indianen en hun stammen gedood toen de blanken kwamen. Tegenwoordig zijn er nog maar 1,5 miljoen indianen in Noord-Amerika, van wie ongeveer twintig procent in een reservaat woont. De reservaten liggen in afgelegen gebieden en de grond is er vaak droog en onvruchtbaar. De indianen werden er in de negentiende eeuw (1800-1900) door de regering naartoe gestuurd. De Navajo's vormen de grootste stam; zij hebben ook het grootste reservaat. Dat is ongeveer drie keer zo groot als Nederland.

Details en informatie

  • Titel: Indianen
  • Auteur(s): K. Blok en Y. Kooiman
  • Nummer: IC197
  • Niveau: 3
  • Siso: J Amerika 943.9