Noordhoff Uitgevers

Industriële Revolutie

Er zijn tijden waarin dingen heel snel veranderen. Er worden nieuwe wetten bedacht, oude gewoontes afgezworen, uitvindingen gedaan. We spreken dan van een revolutie. Kijk bijvoorbeeld eens naar de ontwikkelingen op het gebied van computers en communicatie, allerlei digitale technieken. Die gaan heel snel! We spreken daarom van een digitale revolutie.
Er is ook een Industriële Revolutie geweest. Een ingrijpende verandering op het gebied van de industrie. Industrie betekent het maken van spullen in fabrieken. De Industriële Revolutie begon rond 1750 in Engeland. Dat was toen het machtigste land ter wereld. Het had de grootste zeevloot en had veel andere landen veroverd. Zo kregen de Engelsen ook de spullen uit die landen in huis. Bijvoorbeeld katoen uit India.

Van het pluizige zaad van het katoenplantje kun je katoendraad spinnen. Dit werd in Engeland rond 1750 door veel vrouwen thuis gedaan. Met hun spin- en weefgetouwen maakten ze prachtige kleren.

Iedereen naar de fabriek

Omdat het er zo goed ging, groeide de bevolking van Engeland behoorlijk. Al snel was er een gebrek aan katoenen kleding. Er kwamen kleine machines en kleine fabriekjes, waardoor het spinnen sneller ging. Het gaat nog te langzaam, dacht James Hargreaves in 1764. Hij bouwde daarom een machine die acht draden tegelijk kon spinnen. En niet veel later was er een machine die wel honderd draden aankon. Wat een verschil ineens. Een revolutie!
Er werden grote spin- en weeffabrieken gebouwd. De machines in de fabrieken werkten op waterkracht. Aan de buitenkant van de fabriek zorgde stromend water ervoor, dat een groot waterrad bleef ronddraaien. Dit rad stond in verbinding met de machines. Die draaiden daardoor ook steeds.

Een nadeel van waterkracht was dat de fabrieken altijd aan het water gebouwd moesten worden.

In 1712 vond Thomas Newcomen de stoommachine uit. Nu was het de stoom van kokend water die machines in beweging bracht. De nieuwe techniek werd gebruikt voor schepen en treinen. En voor machines. Nu ze geen stromend water meer nodig hadden, konden de fabrieken overal worden gebouwd. En dat gebeurde ook.
Voor het koken van het water had men steenkool nodig. De machines werden gemaakt van ijzer. Beide stoffen, steenkool en ijzer, zaten volop in de bodem van Engeland. Op veel plaatsen kwamen mijnen, waaruit de grondstoffen werden gedolven. Miljoenen Engelsen vonden werk in de fabrieken en de mijnen. De meesten van hen gingen daar dicht bij wonen. Veel mensen verhuisden dus van het platteland naar de stad.

Ook in ons land sloeg de revolutie toe, al was het bijna honderd jaar later dan in Engeland. In Twente kwamen talloze textielfabrieken. Rotterdam en Amsterdam kregen scheepswerven en machinefabrieken. Ook kwamen er papierfabrieken, zuivelfabrieken en sigarenfabrieken.
Er werden heel veel spullen gemaakt en verhandeld. Nederland bouwde een grote naam op als handelsland. Het ging goed met de industrie. Maar hoe ging het met de mensen? Fabriekswerk was vaak zwaar werk. De mensen die in de fabriek werkten, de arbeiders, werkten wel veertien uur per dag. Dat waren mannen, maar ook vrouwen. en zelfs kinderen!

Kinderarbeid was vroeger ook in Nederland heel gewoon. Deze kinderen gingen niet naar school en hadden nooit vrije tijd.

Dit kon natuurlijk niet doorgaan op deze manier. Arbeiders kwamen in opstand. Ze eisten meer rechten, meer geld. Er werden vakbonden opgericht, verenigingen die opkomen voor de belangen van arbeiders. En het hielp. In 1874 werd kinderarbeid verboden en na 1900 kregen de mensen het langzaam wat beter. Tot er rond 1920 een grote crisis kwam.

Tegenwoordig komen de meeste spullen in onze winkels uit fabrieken in het buitenland, zoals Korea of Taiwan. Waarom? De arbeid is daar goedkoper en zo hoeven wij minder te betalen.

Details en informatie

  • Titel: Industriële Revolutie
  • Auteur(s): Zeger van Mersbergen
  • Nummer: IC081
  • Niveau: 3
  • Siso: J 927.2

Video bekijken