Noordhoff Uitgevers

Kamperen

Duizenden jaren geleden trokken mensen in groepen over de wereld. Dat deden ze omdat hun dieren dan steeds op een nieuwe plek konden grazen. Het was te veel werk om elke keer een nieuw huis te bouwen. Daarom leefden ze in tenten. Deze rondtrekkende volken en stammen noemen we nomaden. Indianen leefden ook in tenten. Die heetten wigwams en die waren gemaakt van huiden en boomschors. Ook het leger van de Franse keizer Napoleon gebruikte tenten. In 1812 wilde Napoleon Rusland veroveren. Hij ging met een enorm leger op weg. 's Nachts sliepen de soldaten met heel veel tegelijk in grote legertenten. Deze waren gemaakt van dikke, stevige stof.

Dit zijn nagebouwde wigwams.

Licht en luchtig

Tegenwoordig zien tenten er heel anders uit. Ze zijn veel kleiner dan legertenten. Ze zijn meestal net groot genoeg voor één gezin. Meestal zijn ze gemaakt van een lichte stof. Veel mensen gaan in de vakantie wandelen of fietsen en dan willen ze hun tent meenemen. Die moet dus niet te veel wegen. Vroeger werden alle kampeertenten gemaakt van katoen. Dat is een natuurlijke stof die goed lucht doorlaat en ook waterdicht kan worden gemaakt. Een nadeel is het gewicht. Een katoenen tent is zwaar. Daarom worden tenten tegenwoordig ook van kunststof gemaakt. Van nylon of polyester bijvoorbeeld.

Wat heb je allemaal nodig om te kunnen kamperen? Om te beginnen natuurlijk een tent. Die bestaat uit een groot doek en een aantal stokken. De tent zet je met haringen en scheerlijnen vast op de grond. Op de grond komt een grondzeil. Dat zorgt ervoor dat de onderkant van de tent niet nat wordt van vocht uit de grond. Verder heb je een luchtbed of slaapmat en een slaapzak nodig. En om te koken een gasbrander met een klein gasflesje. Er bestaan speciale pannensets voor op de camping. De pannen zijn gemaakt van aluminium en passen allemaal in elkaar. Dat scheelt ruimte.

Als je kampeert heb je niet veel luxe, maar een van de leuke dingen is dat je veel buiten bent.

Kamperen doe je meestal op een camping. Soms is dat een groot terrein, waar tenten maar ook caravans staan. Op een grote camping zijn meestal een kampwinkel en een kantine, en soms is er een zwembad. Er worden vaak ook dingen georganiseerd voor kinderen. Sommige mensen houden meer van kleine, rustige campings. Bijvoorbeeld een camping van Staatsbosbeheer. Zo'n camping ligt in een natuurgebied. Er zijn ook campings waar je in je blootje rond mag lopen: dat zijn naturistencamping.

Als je niet op een camping kampeert, ben je aan het wild kamperen. In Nederland is dat verboden, maar in Zweden geldt het zogenaamde 'allemansrecht'. Daar mag iedereen zijn tent opzetten waar hij dat zelf wil.

Details en informatie

  • Titel: Kamperen
  • Auteur(s): Yvonne van Osch
  • Nummer: JC139
  • Niveau: 1
  • Siso: J 617.7