Noordhoff Uitgevers

Karel de Grote

Karel de Grote werd in 742 in Ingelheim in Duitsland geboren. In ons land leefden toen de Friezen. In het oosten woonden de Saksen. En meer naar het zuiden woonden de Franken, in het gebied dat later Frankrijk werd. De Franken werden steeds machtiger. Hun leiders waren sterk. Zij maakten het rijk groter door land te veroveren in het gebied dat nu Duitsland, België en Nederland is.

In het jaar 768 werd Karel koning van het Frankische rijk en in 800 werd hij zelfs keizer. Hij voerde veel oorlogen en wist zijn rijk steeds groter te maken. Graven moesten hem trouw zweren en meevechten in zijn leger.

Karel de Grote wilde eenheid in zijn land. Daarom wilde hij dat er één godsdienst kwam: het christendom. Hij zorgde ervoor dat er scholen kwamen en dat de akkers meer opleverden.

Toen de Vikingen met hun drakenschepen kwamen roven en plunderen, was Karel al een oude man. In 814 stierf hij. Hij was toen bijna 72 jaar. Dat was heel oud in die tijd.

















Standbeeld van Karel de Grote in Luik in België.

Altijd op reis

Keizer Karel was vaak op reis door zijn grote rijk. Dan trok hij van palts naar palts. Hij had zo'n vijftien van die grote boerderijen met landgoederen. Daar hield hij hofdagen en sprak hij recht. Als hij er als rechter niet uitkwam, moest een tweegevecht uitmaken wie er gelijk had.

Om zijn grote rijk goed te kunnen besturen, verdeelde Karel het in gouwen. Een graaf was de baas in een gouw. Hij moest ervoor zorgen dat alles er goed ging. Het moest er veilig zijn en de wetten van de keizer moesten er worden uitgevoerd.

Graven waren ridders. Ze moesten meevechten in het leger van de keizer en moesten dan andere mannen uit hun gebied meebrengen. Zo kwam Karel aan zijn soldaten. De graaf moest ook voor paarden en wapens zorgen. Als dank kreeg hij van Karel een gouw te leen. De keizer was de leenheer, de graaf de leenman. Een graaf werkte niet zelf op zijn land. Daar had hij boeren voor. De boer kreeg daar geen geld voor, maar een stukje land. Een deel van de opbrengst van dat land moest hij aan de graaf geven.

Eens per jaar kwamen de graven naar de rijksdag in Aken. De keizer vertelde daar wat zijn plannen waren. Karel stuurde ook zendgraven naar de gouwen om de graven te controleren.














Het rijk van Karel de Grote.

© Gerard de Groot, Heerenveen

Karel deed veel voor de landbouw. Hij voerde het drieslagstelsel in. De boer moest zijn land verdelen in drie velden. Op het eerste veld zaaide hij wintergraan, zoals tarwe en rogge. Op het tweede veld kwamen zomergraan (haver en gerst), erwten en bonen. Het derde veld bleef een jaar braak liggen, zodat het weer vruchtbaar kon worden. Een jaar later schoof alles één plaats op. Dit drieslagstelsel zorgde voor een grotere opbrengst.

Priesters moesten van Karel in alle dorpen en steden een school stichten. Meestal waren dat kloosterscholen. Veel leerlingen werden later non, monnik of priester. Karel wilde ook eenheid in maten en gewichten. Hij voerde het pond in. Daarmee moest iedereen voortaan wegen. Ook verving de keizer alle verschillende munten in zijn rijk door één munt: het pond, met schellingen en penningen als kleingeld.

De keizer liet alle wetten opschrijven in wetboeken. Daarin stonden de rechten en plichten van de mensen, wat verboden was en welke straffen je kon krijgen voor een misdaad.

Toen Karel oud was, regeerde hij samen met zijn zoon Lodewijk de Vrome, totdat hij in 814 overleed. Hij werd begraven in de Dom van Aken, de kerk die hij zelf had laten bouwen.

Details en informatie

  • Titel: Karel de Grote
  • Auteur(s): Zeger van Mersbergen
  • Nummer: IC208
  • Niveau: 3
  • Siso: J 925.3