Noordhoff Uitgevers

Leven in de sloot

Een sloot wemelt meestal van het leven. Zeker als het een sloot is met schoon, helder water en veel planten erin. Boven, langs en in de sloot leven honderden verschillende dieren. Libellen vallen meteen op. Ze vliegen laag boven het water, op zoek naar prooi. Waterjuffers zijn wat kleiner. Op het wateroppervlak zie je vaak schaatsenrijders lopen. Het wateroppervlak is stevig genoeg voor deze kleine insecten. Schrijvertjes hangen half in het water. Hun ogen staan zó, dat de ene helft boven water is en de andere helft in het water kijkt. Bij gevaar duiken schrijvertjes diep onder water.
De echte waterdieren leven onder het wateroppervlak. Sommige leven tussen en op de planten, andere leven alleen in of op de bodem. Elk dier heeft zijn eigen plaats in de sloot. Alle dieren en planten samen vormen de levensgemeenschap van de sloot. Ze kunnen niet zonder elkaar.

Met zijn ogen ziet een libel elke beweging.

Visjes, slakken, spinnen en insecten

Alle dieren hebben zuurstof nodig. Sommige waterdieren hebben longen. Ze moeten steeds naar het wateroppervlak om lucht te happen. Enkele waterdiertjes nemen een luchtbel mee onder water, net zoals een duiker een duikfles meeneemt. Zo hoeven ze niet steeds naar boven. Echte waterdieren hebben kieuwen. Daarmee kunnen ze zuurstof uit het water halen. Heel kleine diertjes ademen gewoon door hun huid. Sommige waterslakken hebben longen. Andere hebben kieuwen.
Op de bodem van de sloot ligt afval van dode planten en dieren. Bacteriën zorgen ervoor dat het afval wordt opgeruimd. Kleine plankton-diertjes, zoals het pantoffeldiertje, leven van de bacteriën. Kleine visjes, watervlooien en insecten leven op hun beurt weer van de planktondiertjes.
In en op de slootmodder leven zoetwaterpissebedden. Zij zijn echte afvalopruimers, net als slakken.

Pantoffeldiertjes leven van bacteriën.

Naast opruimers leven er ook roofdieren in de sloot. De larve van de libel is een echte rover met vlijmscherpe kaken, die eruitzien als dolken. Hij vangt zelfs stekelbaarsjes. Na één tot drie jaar kruipt hij uit de sloot en verandert in een libel. Ook de larve van de geelgerande watertor is een grote rover. Hij kan groter worden dan je wijsvinger.
Een andere rover is de waterspin. Het is de enige spin ter wereld die onder water leeft. Daar maakt hij een grote luchtbel tussen de waterplanten. In de luchtbel zit hij droog en kan hij ademen. Af en toe schiet hij uit de luchtbel om een prooi te pakken. In sloten en vaarten leven twee soorten stekelbaarsjes: de driedoornige en de tiendoornige. Het zijn kleine visjes. Zoals de naam al zegt, kun je ze herkennen aan het aantal stekels op de rug. Het driedoornige stekelbaarsje is het grootst. Het mannetje maakt in het voorjaar een nestje, waarin het vrouwtje haar eitjes legt. Daarna bewaakt het mannetje de eitjes tot ze uitkomen.
Net als veel waterdieren zijn stekelbaarsjes gestroomlijnd. Daardoor kunnen ze sneller door het water schieten.
In een sloot leven veel insecten. Soms als volwassen dier, vaak ook als larve. Veelvoorkomende insecten zijn waterwantsen en kevers. De larven van muggen leven vlak onder het wateroppervlak. Als ze volgroeid zijn, verpoppen ze zich. De pop hangt dan onder het wateroppervlak. Na een tijdje kruipt de mug uit de pop boven op het wateroppervlak en vliegt weg.
Een diertje dat je veel ziet, is de watermijt. Vooral de rode watermijten vallen op. Het zijn eigenlijk een soort spinnetjes. Ze leven vooral van afval.

Details en informatie

  • Titel: Leven in de sloot
  • Auteur(s): Manon van Loenen
  • Nummer: IC135
  • Niveau: 3
  • Siso: J 578.6