Noordhoff Uitgevers

Lucht

Lucht kun je niet zien, zelfs niet met een microscoop. Toch weet je dat er lucht is: als je tegen de wind in fietst, moet je flink trappen. Dat is niet fijn. Maar lucht kunnen we niet missen. Dag en nacht ademen we lucht in. Als we dat niet doen, gaan we dood. Onze longen halen zuurstof uit de lucht. Er zitten nog meer gassen in lucht. Maar zuurstof hebben we nodig om van te leven. Dat ontdekten geleerden al in de achttiende eeuw (1700-1800).
Om onze aarde zit een laag lucht van honderden kilometers dik, de dampkring. Lucht weegt niet veel, maar wel als het zo'n dikke laag is. Daardoor wordt de luchtdruk heel groot. Op een vlakje van een vierkante centimeter drukt lucht met een gewicht van ongeveer één kilo. Toch wordt je tafel niet platgedrukt. Dat komt omdat de lucht aan de onderkant even sterk drukt.

Het glas is gevuld met water en hangt op zijn kop. Dat de kaart blijft hangen, komt door de luchtdruk.

Luchtdruk

Al in de zeventiende eeuw deed de burgemeester van de Duitse stad Maagdenburg een experiment met luchtdruk. Hij drukte twee halve metalen bollen tegen elkaar en zoog de lucht eruit. Zo ontstond er een vacuüm. Nu was er in de bollen geen druk meer. De buitenlucht drukte wel tegen de bollen en perste die tegen elkaar. Zelfs zestien paarden kregen de bollen niet van elkaar.
Zonder dat je het weet, heb jij vast ook weleens zoiets gedaan. Bijvoorbeeld met zuignapjes. Als je de zuignap tegen de muur duwt, pers je de lucht eronderuit. De druk aan de buitenkant is dan groter dan de druk onder het napje. Dat wordt daardoor stevig vastgedrukt. Glaszetters vervoeren op zo'n manier zware ruiten. Ze gebruiken grote zuignappen met een handvat eraan.

Je kunt de luchtdruk ook verhogen. Dat doe jij ook weleens. Als je een fietsband oppompt, pers je lucht in de band. Hoe meer lucht je erin perst, hoe groter de luchtdruk in de band wordt. De band voelt dan harder aan.

De luchtdruk is nooit overal hetzelfde. Dat kun je aflezen op een barometer. De veranderingen in luchtdruk ontstaan doordat de zon de lucht verwarmt. Warme lucht weegt minder en stijgt op. Op die plaats ontstaat dan een lagedrukgebied. Op grote hoogte stroomt de warme lucht opzij en koelt af. Omdat koude lucht zwaarder is, stroomt de lucht weer naar beneden en ontstaat er een hogedrukgebied.
Niet alleen de hogere luchtlagen bewegen, maar ook lager staat de lucht bijna nooit stil. De bewegende lucht noemen we wind. Het waait net zolang tot het verschil in luchtdruk tussen twee gebieden is verdwenen. Maar helemaal windstil is het bijna nooit.

Bewegende lucht heeft kracht. Ze blaast de boten vooruit.

Trillingen

Zonder lucht zou je geen geluiden horen. Praten zou niet lukken en muziek maken ook niet. Geluiden zijn trillingen van de lucht. Je ziet het aan de trillende snaar van een gitaar. Die brengt de lucht eromheen in trilling. De trillingen gaan verder door de lucht naar je oren en laten daar de trommelvliezen trillen. Op die manier kun je genieten van toffe muziek of gezellig kletsen met elkaar. In het heelal zou dat niet kunnen. Daar heb je geen lucht die trillingen kan vervoeren. Het is er doodstil.

Details en informatie

  • Titel: Lucht
  • Auteur(s): Zeger van Mersbergen
  • Nummer: IC318
  • Niveau: 3
  • Siso: J 533.2