Noordhoff Uitgevers

Maori

Rond 1300 kwamen de Maori in Aotearoa (Nieuw-Zeeland) aan. Daar gingen ze een nieuw bestaan opbouwen. Ze bouwden dorpen, verbouwden het land en gingen op jacht. Maori betekent: eigen volk. Elke Maori hoort bij een stam
Maori werken vooral in de landbouw, visserij en bosbouw. Dat hebben ze altijd al gedaan, want ze moesten leven van hun producten. Ze zijn zuinig op hun grond, omdat ze die van vader op zoon doorgeven.
Toen de Europeanen in de 18e eeuw (1700-1800) Aotearoa ontdekten, werd het een Britse kolonie en kreeg het een nieuwe naam: Nieuw-Zeeland. Er kwamen veel Europeanen, waaronder houthandelaren en walvisjagers. De Maori probeerden hun land te behouden, maar tijdens de veldslagen die uitbraken, kwamen wel 30 duizend Maori om het leven en ze raakten heel veel grond kwijt.
Vanaf 1975 bestaat Waitangi Tribunaal en krijgen de Maori weer grond terug van de Nieuw-Zeelandse regering. 


Maori begroeten elkaar door de neuzen even tegen elkaar te drukken. Daardoor laten ze zien dat ze elkaars adem, dus dezelfde lucht, delen.

Familiemensen

Toen het Maori-volk in Aotearoa aankwam, koos elke stam een plek om te wonen. Meestal werd een dorp op een heuvel gebouwd, in de buurt van water. Dat gaf bescherming tegen vijandelijke stammen. Omdat de Maori-stammen hun grondgebied voortdurend wilden uitbreiden, kwamen ze op elkaars grondgebied. Zo ontstonden er stammenoorlogen. 
In de omgeving van het dorp verbouwden de Maori groentes, zoals wortels en zoete aardappelen. Ze visten onder andere op mosselen en walvissen. De Maori-vrouwen vlochten manden, tassen, schoenen en vloerkleden. Voor dit vlechtwerk was het belangrijk om de spieren van handen en armen soepel te houden. Daarvoor gebruikten ze een poi.
De Maori maakten ook indrukwekkend houtsnijwerk. Dat houtsnijwerk gebruikten ze vooral om dorpshuizen en kano’s te versieren. Ook maakten ze sieraden, zoals kleine gelukhangertjes van bot of van een groene steensoort.
Maori zijn familiemensen. Stamleden komen graag bij elkaar in de marae. Daar worden ook huwelijken gesloten en doden geëerd. Maori hebben het gevoel dat in het dorpshuis hun voorvaderen dichtbij hen zijn, dat hun geest er nog is. Maori aanbidden hun voorvaderen en geloven in moeder aarde en vader hemel. Om de goden gunstig te stemmen zijn er allerlei gebruiken en regels. Zo zijn er bijvoorbeeld bij begrafenissen de haka. Dat zijn dansen waarbij het hele lichaam actief is, tot ogen en mond toe. Er zijn mannen- en vrouwendansen. De bekendste vrouwendans is de Poi. 
De tekst van een haka is altijd tot de goden gericht. Zo’n tekst werd van vader op zoon en van moeder op dochter doorgegeven. De Maori hadden geen geschreven taal. Alles wat ze meemaakten, vertelden ze elkaar.


Rood, wit en zwart zijn de Maori-kleuren. Rood betekent macht en status, wit is vrede en zwart de kleur van verandering.

Tatoeages

Voor de Maori is de moko belangrijk. Het bijzondere aan een moko is, dat die voor iedereen anders is. Je kunt er onder meer uit aflezen tot welke stam je behoort, wat je geboortedatum is en welk beroep je hebt. De eerste moko wordt in de puberteit gezet. Het is een belangrijk moment, want het betekent dat je dan klaar bent voor het huwelijk. Het tatoeëren gebeurt door een moko-artiest. Als een tatoeage eenmaal gezet is, dan worden ze nooit meer weggehaald. De Maori geloven dat ze anders na hun dood niet in het rijk van de voorvaderen worden toegelaten. 

Dit is een samenvatting van het Informatie-boekje 407 Maori.


Details en informatie

  • Titel: Maori
  • Auteur(s): Josée Gruwel
  • Nummer: 407
  • Niveau: 4
  • Siso: J Nieuw-Zeeland 954.1