Noordhoff Uitgevers

Maten en gewichten

Met gewichten kun je aangeven hoeveel iets weegt. Gewicht geef je aan in gram en in kilo, in pond en in ons. Maten kun je gebruiken om te weten hoe groot je bent. Of hoe lang iets is. Vroeger gebruikten mensen hun lichaam om iets te meten. Een duim, een voet, of een stap. Nu koop je een pak meel in een supermarkt, vroeger kocht je meel bij een bakker. Dat was niet voorverpakt, maar los. De bakker woog het af met een balans. Dat is een weegschaal met twee schalen aan een ketting. De eerste balans werd 7 duizend jaar geleden uitgevonden.

De balans wordt nog steeds veel gebruikt. In de ene schaal gaan de koopwaren, in de andere de gewichten.

Afspraken

Mensen over de hele wereld gebruikten eeuwenlang verschillende maten en gewichten. Toen mensen gingen handelen met andere landen, was dat lastig. Napoleon Bonaparte (1769-1821) wilde een groot keizerrijk. Hij wilde dat alle mensen in zijn rijk op één manier gingen meten. Geleerden bedachten in opdracht van Napoleon een maat die ze meter noemden. Deze maat was ongeveer gelijk aan de stap van een volwassene. De mensen maakten toen ook afspraken voor de maat voor gewicht. Dat was voortaan de kilo. Inhoud werd gemeten in liter. De inhoud is bijvoorbeeld hoeveel melk er in een kan past.

Met dit meetinstrument wordt je schoenmaat gemeten.

Mensen hebben allerlei hulpmiddelen gemaakt om nauwkeurig te kunnen meten of wegen. Zo zijn er veel soorten meetinstrumenten uitgevonden. Die kunnen verschillende dingen meten. Hoe hoog is die tafel? Hoe zwaar is deze appel? En hoeveel water kan er in dat kopje?
Je kunt lengte, gewicht en inhoud meten. Maar je kunt nog veel meer dingen meten. Bijvoorbeeld temperatuur, tijd of snelheid. Als je ziek bent, kun je met een thermometer meten hoeveel koorts je hebt. Bij een spelletje kun je aan een zandloper zien hoe lang je beurt nog duurt. Tijd meet je met een klok. En in een auto zit een kilometerteller, of snelheidsmeter.

In schoenen en kleding staan ook maten. Als je acht jaar oud bent, dan ben je ongeveer 134 centimeter lang. Dat is een gemiddelde. Je hebt dan kledingmaat 134. Sommige achtjarigen zijn groter, en hebben maat 146 of 152. Anderen zijn kleiner, en passen maat 122 of 128. Op het label (zeg: leebel) in je T-shirt staat soms iets anders. Op dit stukje stof staan de letters S of ES. Dat betekent small (zeg: smol) of extra-small. Dat is Engels voor klein of heel klein. Je hebt ook M, L en XL: medium, large of extra-large. Dat betekent gemiddeld, groot of heel groot.

Details en informatie

  • Titel: Maten en gewichten
  • Auteur(s): Lien van Horen
  • Nummer: JC276
  • Niveau: 2
  • Siso: J 530.9