Noordhoff Uitgevers

Mijnbouw

Zesduizend jaar geleden haalden mensen in Zuid-Limburg vuursteen uit de grond. Ze maakten hier gereedschap van. Mensen ontdekten later dat er ook andere materialen in de bodem zitten die ze goed konden gebruiken. Twee belangrijke materialen zijn steenkool en ijzererts. Maar ook zand, grind, kalk, koper, goud en edelstenen zijn nuttige materialen. Ze worden net als ijzererts en steenkool delfstoffen genoemd. Delven is een ander woord voor graven. Vaak wordt in mijnen naar delfstoffen gegraven. Een mijn is een heel diep gat met gangen dat mensen graven om bepaalde stoffen uit de grond te halen. In Nederland graaft men naar zand, klei, grind en mergel. Maar Nederland heeft nog vier andere delfstoffen: aardolie, aardgas, steenkool en zout. Steenkool werd vroeger in Limburg uit de bodem gehaald. Maar de laatste steenkoolmijn werd in 1974 gesloten.

Mijnwerken is zwaar werk.

Gevaarlijk werk

Delfstoffen die aan de oppervlakte liggen, worden afgegraven. Dit heet dagbouw. De plek waar mensen in de grond graven om de delfstoffen eruit te halen, heet een open mijn of groeve. Bij harde stenen wordt springstof gebruikt om het gesteente op te blazen. In Duitsland zijn gigantische bruinkoolgroeven. In zo'n grote groeve doet een graafwielbagger het werk.
Veel delfstoffen zitten echter dieper in de grond. Om ze eruit te halen, moeten er diepe gangen worden gegraven, soms meer dan een kilometer diep. In zo'n mijn
is het erg warm en vochtig. Op een diepte van 25 meter is het altijd rond de 9 graden Celsius. Bij elke 100 meter die je daalt, gaat de temperatuur met 3 graden omhoog. Op een diepte van 925 meter is de temperatuur maar liefst 36 graden Celsius.
Werken in een mijn is gevaarlijk. Alleen al in China komen ieder jaar zo'n 8000 mijnwerkers om het leven. Om het instorten van mijngangen te voorkomen, worden de wanden en plafonds met ijzeren balken en pilaren ondersteund. Dat heet stutten.
In mijngangen staat vaak een laag grondwater. Dat moet eruit gepompt worden, anders loopt de mijngang vol en kunnen mijnwerkers verdrinken. Grote pompen voeren het water af. Bij het hakken kunnen ook giftige gassen vrijkomen. Om deze gassen weg te krijgen, zijn in mijnen grote ventilatoren geplaatst. Frisse lucht is van levensbelang.

De grootste graafwielbagger ter wereld is 240 meter lang en 96 meter hoog.

Voor 1900 werd het werk met de hand gedaan. Toen gebruikten mijnwerkers houwelen, beitels en hamers. Met de houweel sloegen ze gaten in de harde steenkool. En met de hamer en beitel werden grote brokken klein geslagen. De steenkool werd daarna met een platte schop in mandjes geschept. Die werden in grote zakken geleegd. Mijnwerkers droegen de zakken daarna naar de lift.
In een moderne steenkoolmijn doen machines het zware werk. Mensen hoeven de mijn niet meer in. Zij zijn alleen nog nodig om de machines te bedienen en te controleren. Vrijwel alle machines worden op afstand gestuurd door computers. Mensen zien boven de grond op beeldschermen hoe het er in de mijn aan toegaat. Ook het zuiveren van de lucht gebeurt computergestuurd.
Een steenkoollaag is vaak honderden meters lang. Enorme boor- of schaafmachines halen de steenkool weg. Moderne mijnen worden automatisch gestut. Verplaatsbare stutten bewegen met de schaafmachine mee. Is er een laag afgeschaafd, dan schuiven de stutten vanzelf met de machine mee. Het afgegraven deel van de mijn wordt opgevuld met puin.

Details en informatie

  • Titel: Mijnbouw
  • Auteur(s): Jan-Willem Driessen
  • Nummer: IC234
  • Niveau: 3
  • Siso: J 381.1