Noordhoff Uitgevers

Nieuwe natuur

Alle natuurgebieden in Nederland zijn door mensen aangelegd of worden door hen onderhouden: heidevelden, bossen, duinen, plassen en meren. Ook onze bossen zijn aangeplant. Het zijn geen , zoals de tropische regenwouden. Die zijn wel uit zichzelf ontstaan. Het laatste Nederlandse oerbos, het Beekbergerwoud bij Apeldoorn, is rond 1870 gekapt. Steden, sportvelden en industrieterreinen noem je cultuurlandschappen. Ook de wegen horen erbij. De bomen en planten die in dit landschap groeien, staan meestal in parken, tuinen en bakken.
Tegenwoordig laat men de natuur weer haar gang gaan. We spreken dan van nieuwe natuur. Er worden geen planten of bomen geplant. Ze komen daar vanzelf door zaden. Die worden meegenomen door de wind of door dieren. Als in de nieuwe natuur een boom omwaait of een struik vol rupsen komt te zitten, doet niemand daar iets aan. De boom groeit in een kromme vorm verder. Zo ontstaat er een wildernis waar planten en dieren zonder hulp van mensen hun plek vinden.

Op enkele plaatsen op de wereld komen nog oerbossen voor, zoals in West-Canada.

Aaneengesloten natuurgebieden

In de twintigste eeuw moest veel natuur plaatsmaken voor huizen, fabrieken en wegen. Voor dieren en planten werd het moeilijker een eigen plekje te vinden. Veel mensen maakten zich zorgen over de toekomst van de natuur in Nederland. Ze richtten organisaties op om de natuur te beschermen. En ze gingen helpen. Door bijvoorbeeld poeltjes aan te leggen voor kikkers. Of door wilgen te knotten, zodat daar uiltjes in kunnen wonen.

In 1968 was de polder Zuidelijk Flevoland klaar. Daarvoor was dit gebied een deel van het IJsselmeer. Vanaf de zuidkant begon men het nieuwe gebied met grote machines klaar te maken voor bewoning en landbouw. Er werden sloten gegraven en wegen aangelegd. Het natte, moerassige noordelijke gedeelte kwam nog niet aan de beurt. Het werd voor duizenden vogels een belangrijk natuurgebied. Te bijzonder om het in te richten voor bebouwing en landbouw. Zo ontstond het beschermde natuurgebied van de Oostvaardersplassen. Het was het eerste nieuwe natuurgebied. Het begrip 'nieuwe natuur' werd rond 1990 pas echt gebruikt. Toen werden de eerste plannen uitgevoerd om bestaande landbouwgebieden terug te geven aan de natuur.

Het natuurlijke leefgebied van veel dieren in Nederland is doorsneden met wegen, bebouwde gebieden en grote landbouw- en veeteeltgebieden. Door deze versnippering liggen beschermde natuurgebieden als eilandjes verspreid. Een groot aantal dieren kan nauwelijks naar een ander gebied gaan. Vooral voor zeldzame dieren als de das zijn verbindingswegen belangrijk. Veel dieren willen niet paren met naaste familieleden. Als er geen andere soortgenoten in de buurt zijn, sterft zo'n geisoleerde familie soms uit.
De regering bedacht in 1990 een plan om alle grote en belangrijke natuurgebieden in Nederland met elkaar te verbinden: de Ecologische Hoofdstructuur. Dat met elkaar verbinden moet gebeuren door het aanleggen van nieuwe natuurgebieden. En door het maken van verbindingszones waarlangs dieren en plantenzaden de verschillende natuurgebieden kunnen bereiken.

Nieuwe natuurgebieden ontstaan meestal niet door een terrein aan zijn lot over te laten. Nutteloze gebouwen en afrasteringen moeten eerst opgeruimd worden. Er worden ook poelen en plassen gegraven. Door verschillende hoogtes in het terrein te maken, krijgt de natuur een extra kans. Er ontstaat afwisseling. Hoe meer afwisseling er in een gebied is, hoe meer soorten planten en dieren er komen. Op die manier maak je nieuwe natuurgebieden. Grote grazers als konikpaarden en koeien worden in de nieuwe natuur losgelaten om het gebied te begrazen. Ze zorgen ervoor dat de natuurgebieden niet helemaal dichtgroeien met bomen. Zonder grote grazers zou er een saai dicht bos groeien.

Details en informatie

  • Titel: Nieuwe natuur
  • Auteur(s): William van den Akker
  • Nummer: IC088
  • Niveau: 4
  • Siso: J 570.5