Noordhoff Uitgevers

Plaatsbepaling op aarde

Als je dicht bij huis bent, is plaatsbepaling niet moeilijk. Je herkent van alles, en zodoende weet je precies waar je bent. Als mensen vroeger op reis gingen, gebruikten ze herkenningspunten om zich te oriënteren. Oriënteren betekent: ‘bepalen waar je bent’. Ze letten bijvoorbeeld op rivieren of bergen. Op zee is dat lastig. Daarom bleven zeelieden het liefst langs de kust varen. Daar zagen ze duinen, inhammen, dorpjes en bergen. Aan de hand daarvan stippelden ze hun route uit. Sommige herkenningspunten zijn er gewoon. Andere zijn er speciaal neergezet om je te laten weten waar je bent. Straatnaamborden bijvoorbeeld. Of namen van dorpen en steden op perrons. 


Met dit hulpmiddel konden zeelieden uitrekenen waar ze ongeveer waren.

Kaarten en kompassen

Mensen gebruiken al eeuwenlang kaarten om te bepalen waar iets op aarde is. In de dertiende eeuw (1200-1300) werd het kompas uitgevonden. Een handig hulpmiddel dat aangaf waar het noorden, zuiden, oosten en westen is. Het kompas maakt gebruik van het aardmagnetisch veld. De aarde is magnetisch en heeft net als een gewone magneet een noordpool en een zuidpool. Met een kompas kun je altijd nagaan in welke richting je gaat.
De eersten die zich bezighielden met het bepalen van hun positie, waren zeelieden. Ze waren soms maanden lang op zee. Dan was het belangrijk om te weten of ze nog op de juiste koers lagen. De herkenningspunten die ze daarbij gebruikten, waren de zon, de maan en de sterren. Met behulp van speciale instrumenten en flink wat rekenwerk konden ze ongeveer bepalen waar ze waren. Maar het werkte niet altijd. Als het bewolkt of mistig was, lieten de zon, de maan en de sterren zich niet zien. En konden de zeelieden hun berekeningen niet maken. Je plaats bepalen op basis van de stand van de sterren, heet astronavigatie.

Satellieten

Radiobakens waren wel betrouwbaar. Die zenders zonden radiosignalen uit die je met bepaalde hulpmiddelen kon opvangen. Vooral het vliegverkeer heeft intensief gebruik gemaakt van radiobakens.
Tegenwoordig gebeurt plaatsbepaling met behulp van satellieten. De satellieten van een satellietsysteem hebben allemaal een vaste plek in de ruimte. Ze draaien met de aarde mee. Om de signalen van de satellieten op te kunnen vangen, is speciale apparatuur nodig. Er zijn veel satellieten in de lucht. Een apparaat kan altijd de signalen van minstens vier satellieten opvangen, waar op aarde je ook bent. Het apparaat berekent dan waar dat is. Het werkt altijd. Het maakt niet uit of het dag of nacht is, winter of zomer, zonnig of mistig. Satellietsystemen zijn in de afgelopen jaren steeds beter en steeds goedkoper geworden. Bijna iedereen heeft nu een gps in de auto. ‘Bestemming bereikt.’


Satellieten zenden signalen naar de aarde. Een satellietsysteem werkt altijd.

Dit is een samenvatting van Informatieboekje 24 Plaatsbepaling op aarde.

Details en informatie

  • Titel: Plaatsbepaling op aarde
  • Auteur(s): Anne Wesseling
  • Nummer: 24
  • Niveau: 5
  • Siso: 953