Noordhoff Uitgevers

Roofdieren in Nederland

In Nederland leven geen leeuwen en tijgers, behalve in dierentuinen. In de vrije natuur leven wel andere roofdieren. Je ziet ze zelden, want ze zijn schuw en leiden een verborgen bestaan. De vos is het bekendste en de das het grootste roofdier in ons land. Maar ook de hermelijn en de wezel, de boommarter en de bunzing komen hier voor. De roofdieren in Nederland zijn meestal slanke dieren met kleine oortjes en snorharen. De wezel is de kleinste.

Roofdieren jagen als het bijna donker is. Hun neus, oren en snorharen zijn de belangrijkste zintuigen. Daarmee sporen ze hun voedsel op. Vaak hebben roofdieren scherpe klauwen, waarmee ze hun prooi kunnen grijpen. Met hun sterke gebit kunnen ze het gevangen dier doden. Door hun slanke bouw kunnen roofdieren hun prooi besluipen en kunnen ze zich goed verstoppen.

Jonge vossen spelen voor hun hol.

Ongevaarlijk en onzichtbaar

Vossen komen bijna overal voor: in natuurgebieden, maar ook in landbouwgebieden. Soms zelfs in dorpen en steden. Het zijn echte alleseters. Vossen graven holen. Een vossenhol wordt een burcht genoemd. Vossen leven in familiegroepen. Moeders en dochters leven vaak samen in één gebied. Samen hebben ze een territorium, een gebied waarin ze wonen en jagen. Er leeft vaak één volwassen mannetje, een rekel, in het territorium.

De meeste roofdieren in ons land zijn marterachtigen. Er komen hier vier soorten marterachtigen voor: de das, de steenmarter, de boommarter en de bunzing. De jachtmethode van de meeste marters is vrij eenvoudig. Ze lopen rond door hun woongebied en snuffelen in alle holtes, nissen en holen die ze tegenkomen. Als ze een prooi bespeuren, bespringen ze die bij verrassing.

De das is altijd op zoek naar voedsel.

De das is sterk en zwaargebouwd. Hij is 67 tot 80 centimeter lang en weegt zeven tot zestien kilo. De das is ook een alleseter. Hij heeft sterke voorpoten met grote klauwen. Daarmee kan hij goed graven en dieren doden, zoals muizen, konijnen en egels. Regenwormen zijn belangrijk voedsel voor de das. Net als vossen, wonen dassen in burchten. Dassen houden er niet van om dicht bij mensen te wonen. Ze zijn veel kieskeuriger dan vossen. Ze komen in Nederland voor in Overijssel, Gelderland, Brabant en Limburg.

Steenmarters voelen zich op allerlei plaatsen thuis. Ze kunnen goed in bomen klauteren, maar klimmen ook loodrecht tegen muren op. Ze verschuilen zich in schuren, kruipruimtes onder huizen en op rustige zolders. In Nederland leven ze vooral in het oosten en in Limburg. De meeste boommarters van ons land leven op de Veluwe. Het zijn schuwe en zeldzame dieren. Boommarters zijn goede klimmers. Bunzings zijn meer grondbewoners dan steenmarters en boommarters. Ze worden ook wel 'stinkotters' genoemd. Als ze aangevallen worden en bang zijn, scheiden ze namelijk een erg stinkende stof af onder hun staart: muskus. Hermelijnen en wezels lijken op marters, alleen zijn ze een stuk kleiner. Hun rug is roodbruin gekleurd en ze hebben een witte buik. Bij beide soorten zijn de mannetjes groter dan de vrouwtjes.

De meeste inheemse roofdieren zijn zeldzaam, behalve de vos. Ze worden vooral bedreigd door het verkeer en ruimtegebrek. Ook de moderne landbouw is een bedreiging. Er zijn daardoor minder muizen, en die zijn juist heel belangrijk voor de kleinere roofdieren. Vroeger leefden er nog meer roofdieren in Nederland: wolven, beren en lynxen. Deze dieren hebben meer ruimte nodig dan de roofdieren die nu nog wel in Nederland voorkomen.

Een jonge lynx vindt het leuk om pootje te baaien.

Details en informatie

  • Titel: Roofdieren in Nederland
  • Auteur(s): Manon van Loenen
  • Nummer: IC098
  • Niveau: 3
  • Siso: J 598.95