Noordhoff Uitgevers

Schaatsen

Het hoeft nog geen twee dagen te vriezen, of Nederland is niet meer te houden. Waar zijn de schaatsen? De ijzers gaan uit het vet; zwaaien en zwieren maar! Is dat een wonder? Nee. Nederland is een land met veel water, dat kan bevriezen. Onze hele geschiedenis is van ijs doordrongen. In januari 2001 vroeg prins Willem-Alexander zijn vriendin Máxima ten huwelijk. Waar gebeurde dat, denk je? Ja hoor, op het ijs.
Helaas zijn de Hollandse winters niet altijd streng genoeg. Daar is een oplossing voor gevonden: kunstijsbanen. Er zijn er meer dan twintig in Nederland. De bekendste is Thialf in Heerenveen. Dat is een prachtige baan, maar schaatsen op natuurijs blijft natuurlijk favoriet. De velden in, de plassen over, kilometers en kilometers ver. Je komt op plaatsen die je normaal alleen vanuit bootjes kunt zien.

Vroeger bonden schaatsers echte botten onder hun voeten. Daar komt het woord 'botjes' voor schaatsen vandaan.

Van krulschaats tot klapschaats

In ons land wordt al duizenden jaren geschaatst. Vroegere bewoners maakten schaatsen van dierenbotten. Ze slepen de beenderen plat en maakten er gaatjes in. Door de gaatjes staken ze riempjes. Erg hard ging het niet op de botten. De schaatsers moesten er prikstokken bij gebruiken.
Rond 1400 werd ontdekt dat ijzer beter gleed. Er kwamen verschillende soorten schaatsen met ijzer eronder. Eén ervan was de krulschaats, ook wel zwanenschaats genoemd. Deze zie je veel op oude schilderijen en tekeningen. In het Eerste Friese Schaatsmuseum in Hindeloopen kun je de krulschaats nog in het echt zien.
Aan het einde van de negentiende eeuw (1800-1900) reden mensen voor het eerst op noren. Dat zijn nauwsluitende schoenen met daaronder lange en rechte ijzers.

De noren brachten de Nederlandse schaatser Jaap Eden veel geluk. Hij werd maar liefst drie keer wereldkampioen. In 1893, in 1895 en in 1896. Later werd de Amsterdamse kunstijsbaan naar hem vernoemd.

Een belangrijke uitvinding op het gebied van schaatsen was de klapschaats. Het idee is eenvoudig. Het ijzer van de klapschaats zit aan de achterkant los. Daardoor kan de schaatser zijn enkels strekken en kan hij harder afzetten. Met de klapschaats rijden topschaatsers één seconde sneller per rondje. Als je bedenkt dat elke tiende seconde telt in een wedstrijd, weet je wat voor een vooruitgang de uitvinding van de klapschaats betekende.

Gianni Romme dankt veel van zijn overwinningen aan de klapschaats. Net als alle topschaatsers van nu schaatst hij ook sneller door een speciaal pak waar de wind heel makkelijk langsgaat.

Tijd is belangrijk bij de baanwedstrijden. Of het nou om honderd meter gaat, of om tienduizend meter. Bij korte afstanden, meestal vijfhonderd of duizend meter, spreek je van een sprint. Er is ook een supersprint, die honderd of driehonderd meter lang is.

Bij sommige wedstrijden speelt een snelle tijd geen rol. Denk maar aan ijshockey. Dat is een spel waarbij het om de punten gaat. De schaatsen van de spelers zien er heel anders uit. De ijzers zijn veel korter, omdat de schaatsers goed moeten kunnen wenden en keren.
Op die schaatsen zijn ijshockeyspelers zo handig, dat uit het ijshockey weer een nieuwe sport is ontstaan: 'shorttrack' (zeg: sjorttrek). Shorttrack is hardrijden op een kleine ijshockeybaan. Ook daarbij doet de tijd er niet toe, het gaat vooral om de handigheid in de bochten. Wie het eerst over de streep is, heeft gewonnen.

Een stuk eleganter is natuurlijk het kunstrijden op de schaats. Een soort ballet, maar dan op het ijs. Sommigen houden ervan, anderen niet. Net als van hardrijden of hockey. Er is echter één wedstrijd waar bijna iedereen in Nederland van houdt: de Friese elfstedentocht. Wat denk je? Krijgen we er dit jaar weer eens een?

Details en informatie

  • Titel: Schaatsen
  • Auteur(s): Gerda Telgenhof
  • Nummer: IC077
  • Niveau: 3
  • Siso: J 618.11