Noordhoff Uitgevers

School van vroeger

Kun je je voorstellen dat je met 99 andere kinderen in één klas zit? Met maar één meester? Zo was het ongeveer tweehonderd jaar geleden op school. De school begon al om zeven uur 's morgens. En om zes uur 's middags gingen de kinderen pas naar huis. Of soms nog later. Dan deed de meester of juf een kaarsje aan, want lampen en elektriciteit waren er nog niet. In het lokaal was ook een wc. Ééntje maar, voor alle kinderen in de klas. Er zat wel een deurtje voor, maar het zal toch flink gestonken hebben! De kinderen schreven niet met balpennen in schriften. Ze schreven met een griffel op een lei.

 

De meester was vroeger heel erg streng. Hij sloeg kinderen wel eens met een roede of een plak.

Klassen

Er waren vroeger geen verschillende groepen op school zoals nu. Kleine en grote kinderen zaten allemaal bij elkaar in één lokaal. De meeste kinderen gingen van school als ze negen jaar waren. Dan waren ze groot genoeg om te werken en geld te verdienen. Want vroeger was er meer armoede dan nu. Er waren daarom ook speciale armenscholen. Daar gingen kinderen naar toe van arme ouders die geen schoolgeld konden betalen. Voor kinderen zonder ouders waren er weeshuisscholen. Die waren gratis. Kinderen leerden niet veel op deze scholen: ze werden er 'opgeborgen'. Iets minder arme mensen deden hun kinderen naar een twee- of drie-centsschool. Zoveel was het schoolgeld.

Rijke ouders konden een Franse of Latijnse school betalen. Op de Franse school leerden de kinderen een beroep, bijvoorbeeld koopman of handelaar. Nederland deed tweehonderd jaar geleden veel zaken met Frankrijk. Daarom was Frans hier een belangrijke taal. Naar de Latijnse school gingen kinderen die daarna op de universiteit zouden gaan studeren. Er waren ook werkscholen. Daar leerden kinderen een vak, zoals schoenmaker.

In 1850 kwam er voor het eerst een minister voor het onderwijs. Hij zorgde ervoor dat scholen meerdere lokalen kregen. Klassen met honderd kinderen bestonden vanaf dat moment niet meer. Tot 1900 was het niet verplicht om naar school te gaan. Een onderwijsminister bedacht in 1901 de wet die de leerplicht regelde. Daarin stond dat alle kinderen tussen zeven en dertien jaar naar school moesten.

Sommige oude schoolgebouwen bestaan nog steeds. Vaak zijn ze verbouwd.

Vroeger leerden de kinderen op school niet zoveel als de kinderen nu. De bijbel was het belangrijkste schoolboek. Verder moesten de kinderen veel uit hun hoofd leren. Veel van die dingen begrepen ze helemaal niet. En kinderen van vier leerden hetzelfde als kinderen van acht. In de loop van de tijd leerden de kinderen wel steeds meer. Er kwamen steeds meer vakken bij. Zoals rekenen en schrijven, maar ook zingen, sterrenkunde, aardrijkskunde en geschiedenis. Er kwamen echte schoolboeken en het onderwijs werd daardoor steeds beter en ook leuker. In 1930 kregen de kinderen ook verkeersles. Dat was wel nodig, omdat er toen auto's kwamen en het drukker werd op straat.

Details en informatie

  • Titel: School van vroeger
  • Auteur(s): Heidi Vijverberg
  • Nummer: JC134
  • Niveau: 2
  • Siso: J 451.1