Noordhoff Uitgevers

Scouting (Junior)

Meer dan 85 duizend kinderen in Nederland zijn lid van een scoutinggroep. Meestal zijn de bijeenkomsten op zaterdag. Een bijeenkomst heet bij de scouts een opkomst. Het gaat vooral om samen spelen en plezier maken. Bijna altijd zijn de scouts buiten, vaak in het bos, soms op het water. Soms blijven de kinderen in het clubhuis. Ze knutselen en doen spelletjes. Ze bakken koekjes of spelen toneel. Bij een scoutinggroep leer je ook over de natuur. Sporen van dieren en geluiden van vogels herkennen bijvoorbeeld. En je leert hoe je kunt overleven in de natuur.

Scouts werken samen en hebben respect voor elkaar.

Voor iedereen

Scouting is voor iedereen. Er zijn verschillende leeftijdsgroepen. Die groepen noem je speltakken. Kinderen van vijf tot zeven zijn bevers. Welpen zijn zeven tot elf jaar. Kinderen van elf tot vijftien zijn scouts. Word je vijftien, dan ben je explorer. En word je achttien, dan ga je naar de laatste groep: de roverscouts. Het overgaan naar een andere speltak heet overvliegen. Dat gebeurt op een feestelijke manier, bijvoorbeeld met een vlot over een sloot. Je wordt uitgezwaaid door je oude groep en welkom geheten door je nieuwe groep.

Lord Baden-Powell op kamp in 1907. In het begin waren scouts alleen jongens.

Iedereen is gelijk bij scouting. Iedereen draagt daarom dezelfde kleding: de scoutfit. De scouts dragen een blauwe broek en een blouse met een das en een dasring. Op de blouse zijn allerlei tekens genaaid. Je kunt eraan zien bij welke speltak iemand hoort. Andere tekens laten zien wat iemand allemaal kan. Bij scouting kun je insignes (zeg: insinjes) verdienen. Om zo'n teken te krijgen, moet je opdrachten goed doen. Scouts doen in elk geval een keer per jaar iets voor anderen. Ze helpen een dagje in een dierenasiel. Of ze ruimen afval in de straat op. Of ze houden een collecte voor een goed doel.

De Engelse generaal Lord Baden-Powell was de bedenker van scouting. Het Engelse woord scouting betekent 'speuren' of 'verkennen'. Baden-Powell schreef voor zijn soldaten een boek. Daarin legde hij uit hoe ze sporen konden volgen. En hoe ze hun eigen potje konden koken. En hoe ze van hout en touw handige hulpmiddelen konden maken. Toen Baden-Powell merkte dat jongens het boek graag lazen, schreef hij voor hen ook een boek. In 1907 ging hij op kamp met een groep jongens. Dat was het begin van een enorm gebeuren. Nu, ruim honderd jaar later, zijn er in de hele wereld 32 miljoen scouts.

Details en informatie

  • Titel: Scouting (Junior)
  • Auteur(s): Minke van Dam
  • Nummer: JC277
  • Niveau: 1
  • Siso: J 494.3