Noordhoff Uitgevers

Slangen (Junior)

In Nederland kun je drie slangen in het wild tegenkomen. Dat zijn de adder, de ringslang en de gladde slang. Je ziet ze niet zo vaak, want ze zijn schuw. Ze zijn bang voor mensen. De gladde slang en de ringslang zijn niet gevaarlijk voor mensen. Adders kunnen bijten. Dat doet pijn. Je moet met een adderbeet altijd naar de dokter. Met medicijnen gaat het snel weer beter. Een slang is een reptiel, net als een schildpad, hagedis en een krokodil. Reptielen zijn dieren die kruipen. Reptielen zijn koudbloedig. Ze zijn net zo warm als hun omgeving is.

Jonge slangen hebben geen moeder die voor hen zorgt. Ze zoeken zelf eten.

Veel soorten

Er zijn ruim 3 duizend soorten slangen. Ze zien er allemaal anders uit. Veel slangen hebben een schutkleur. Hun huid heeft dan dezelfde kleur als de omgeving. Daardoor zie je ze bijna niet. Slangen zijn te verdelen in twee groepen: gifslangen en wurgslangen. Dat heeft te maken met de manier waarop ze andere dieren doden om op te eten. Zo'n dier noem je een prooi. Van alle slangen zijn ongeveer driehonderd soorten giftig. Het gif wordt in klieren in de bek aangemaakt. Een klier is een deeltje in het lichaam waar vocht uit komt. Zodra de slang bijt, stroomt het gif via de scherpe tanden in de prooi. Het gif verlamt de prooi.

Een wurgslang kronkelt zich om zijn prooi heen. Heel strak, zodat de prooi geen adem meer kan halen.

Slangen hebben een kop, een lang lijf en een staart. De huid lijkt glibberig, maar voelt juist heel droog aan. De huid bestaat uit schubben. Dat zijn stevige, dunne plaatjes die als dakpannen over elkaar heen liggen. Schubben beschermen het lijf. Slangen groeien hun hele leven lang. Daarom vervellen ze. De oude huid valt eraf. Onder de oude huid groeide een nieuwe. Slangen zijn doof. Met hun tong kunnen ze voelen en ruiken. De ogen van de slang lijken altijd open, maar dat is niet zo. Ze zijn juist altijd dicht. Dat zie je niet, omdat de oogleden doorzichtige vliezen zijn. Ze zitten vast over de ogen.

Kleine slangen eten insecten. De meeste slangen zijn vleeseters. Ze eten andere dieren. Bijvoorbeeld kikkers, muizen, slakken en vogels. Grotere slangen eten ook grotere dieren zoals herten of krokodillen. Sommige slangen gaan op jacht om een prooi te vinden. Anderen wachten tot er iets in de buurt is. Slangen zijn roofdieren. Ze worden zelf ook door roofdieren aangevallen. Roofvogels, vossen en krokodillen eten slangen of eieren van slangen. Slangen laten zich niet vaak zien. Ze blijven in hun schuilplaats tot ze honger hebben. Ze komen ook tevoorschijn als ze bedreigd worden. Bijvoorbeeld door roofdieren of door mensen.

Details en informatie

  • Titel: Slangen (Junior)
  • Auteur(s): Truus Visser-van den Brink
  • Nummer: JC265
  • Niveau: 1
  • Siso: J 598.2