Noordhoff Uitgevers

Snaarinstrumenten

Naar muziek luisteren is leuk. Muziek maken is misschien nog wel leuker. Je kunt natuurlijk gaan zingen. In je eentje of in een koor. Je kunt ook een instrument bespelen.
Je kunt kiezen uit drie groepen. De slaginstrumenten: die bespeel je door erop te slaan. Op de blaasinstrumenten moet je blazen. En je hebt de snaarinstrumenten. Die kunnen er heel verschillend uitzien. Eén ding is hetzelfde, ze hebben allemaal snaren. Gitaren, piano's en violen zijn snaarinstrumenten. Een harp is ook een snaarinstrument.
Bij sommige instrumenten moet je op de snaren tokkelen. Dan trek je met je vingers aan de snaren. Andere snaarinstrumenten bespeel je met een strijkstok. Dat is een speciale stok, bespannen met paardenhaar. Daarmee strijk je over de snaren, bijvoobeeld bij de viool.

Er zijn veel verschillende violen. Elke viool klinkt een beetje anders.

Dikke en dunne snaren

Er zijn dikke, dunne, korte en lange snaren. Ze klinken niet allemaal hetzelfde. Een lange snaar heeft een lagere toon dan een korte. En een dikke snaar klinkt ook lager dan een dunne.
Sommige instrumenten hebben maar vier snaren. Bijvoorbeeld een viool. Een piano heeft meer dan honderd snaren. Een gewone gitaar heeft zes snaren. De snaren van een gitaar zijn allemaal even lang. Maar ze zijn niet allemaal even dik.
Toch kun je op een gitaar veel meer dan zes tonen maken. Druk je vinger maar eens halverwege op een snaar. Als je dan op die snaar tokkelt, hoor je een hogere toon. Je hebt de snaar eigenlijk een stukje korter gemaakt. Zo kun je na veel oefenen een melodietje spelen. Maar hoe weet je waar je je vingers moet zetten? Bij een gitaar is dat niet zo moeilijk. Op de steel van een gitaar staan streepjes.

Een gitaar heeft streepjes op de steel. Zo weet je precies waar je je vingers moet zetten.

Op een viool zitten die streepjes niet. Vioolspelen is dan ook moeilijker. Op een viool tokkel je ook niet. Je hebt een strijkstok nodig. De strijkstok moet je over de snaren strijken. Daardoor krijg je een toon.
Piano's en vleugels zijn ook snaarinstrumenten. In een piano en in een vleugel zitten hamertjes. Als je op een toets drukt, tikt er een hamertje tegen een snaar. Een piano is een bijzonder instrument. Je kunt er veel snaren tegelijkertijd mee bespelen. Je kunt zelfs met tien vingers tegelijk spelen. Een piano heeft 88 toetsen. Alle toetsen samen noem je het klavier.

In een piano en in een vleugel zitten hamertjes. Als je op een toets drukt, tikt er een hamertje tegen een snaar.

Elk snaarinstrument heeft een klankkast. Een klankkast is een soort houten doos. Bij een gitaar zie je de klankkast heel goed. Zonder klankkast zou je niet zo'n mooie klank met een snaar kunnen maken. Pak maar eens een elastiekje. Houd dat strak en tokkel erop. Je hoort bijna niets. Alleen als je het dicht bij je oor houdt. Druk nu één kant van het elastiekje op een leeg doosje. Je hoort opeens veel meer. Het doosje gaat met de snaar meetrillen. Het doosje is een klankkastje. De klankkast versterkt het geluid van de snaren. Behalve bij een elektrische gitaar. Daarbij wordt het geluid van de snaren versterkt met een elektrisch apparaat.

Details en informatie

  • Titel: Snaarinstrumenten
  • Auteur(s): Truus Visser-van den Brink
  • Nummer: JC007
  • Niveau: 2
  • Siso: J 786