Noordhoff Uitgevers

Spanje

Welkom in Spanje. Dit land in het Zuiden van Europa is heel afwisselend. Je vindt er vlakten, groene heuvels, droge woestijngebieden en hoge bergen. Het kan er heel warm zijn, maar er kan ook een dik pak sneeuw vallen. Samen met Portugal ligt Spanje op een schiereiland, dat met één kant aan Frankrijk grenst.
Spanje heeft grote en drukke steden, zoals Madrid en Barcelona. Maar op het platteland zijn veel dorpjes, waarvan er steeds meer onbewoond raken. De inwoners van Spanje spreken allemaal Spaans. In sommige delen van Spanje spreken de mensen ook een andere taal: Galicisch, Catalaans of Baskisch. Hoewel ze heel verschillend zijn, hebben de Spanjaarden toch veel dezelfde gewoonten. Ze houden van feesten, van gezellig met elkaar eten en praten en op straat rondlopen. En kinderen mogen tot laat opblijven!

In veel dorpen op het Spaanse platteland wonen vooral oudere mensen. Jonge mensen trekken naar de stad omdat daar meer werk te vinden is dan in hun eigen dorp.

Sporen uit het verleden

Spanje is dertien keer groter dan Nederland. Het ligt op het Iberische schiereiland. Het woord 'Iberisch' komt van de Iberiërs, een volk dat lang voor Christus in het oosten van Spanje woonde. Na de Iberiërs kwamen de Grieken en vervolgens de Romeinen. In 711 kwamen de Moren vanuit Noord-Afrika. Deze Arabische moslims hebben bijna acht eeuwen in Spanje geleefd. In 1492 werden ze uit Spanje verdreven. Al deze volken hebben hun sporen nagelaten. Vooral in het zuiden van Spanje, in Andalusië, zie je nog veel restanten van Moorse burchten en paleizen.
In 1561 werd Madrid gekozen tot hoofdstad van Spanje. Daarvoor was het een onbelangrijk stadje. Dat was precies de reden waarom de koning van toen, Philips de Tweede, Madrid tot hoofdstad maakte. Zo kreeg hij geen ruzie met andere, belangrijke steden. Nu wonen er drie miljoen mensen. Ook de koning en koningin wonen er.
Rond 1930 was een kleine groep rijke mensen de baas in Spanje. Deze grootgrondbezitters bezaten bijna alle grond. Miljoenen arme boeren hadden niks. In 1936 kwamen ze in opstand. Zij wilden dat het land eerlijker verdeeld werd. Er ontstond een oorlog tussen de twee groepen: de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939). De rijke mensen wonnen de oorlog. Hun leider was generaal Franco. Van 1939 tot zijn dood in 1975 regeerde hij het land als een dictator. In zijn eentje regeerde hij op wrede wijze. Mensen mochten niet zeggen wat ze wilden.
In 1975 kreeg Spanje weer een koning. Hij vormde een democratie. Het volk mag sinds 1977 de regering kiezen.

Het gaat beter

Na 1975 ging het steeds beter met Spanje. De nieuwe regering liet fabrieken bouwen. Steeds meer landen kochten Spaanse producten, zoals wijn, olijven en auto's. Er werden betere wegen aangelegd. Langzaam veranderde Spanje van een arm, ouderwets land in een modern land met meer welvaart. Er kwam meer werk en de mensen gingen meer geld verdienen.
De meeste Spanjaarden zijn katholiek. Dit christelijk geloof heeft veel heiligen. Deze personen hebben heel vroeger geleefd en hebben goede dingen gedaan. Ieder dorp of stad heeft een heilige die de inwoners beschermt. Elk jaar wordt er feestgevierd ter ere van deze heilige. Soms duurt het feest een paar dagen of zelfs een week. Bij elk feest wordt er uitgebreid gegeten, gedronken en meestal ook vuurwerk afgestoken.

In april is er in Sevilla, een stad in het zuiden, een groot feest met kermis en optochten. Mensen zijn gekleed in traditionele kostuums.

Details en informatie

  • Titel: Spanje
  • Auteur(s): Annemarie van den Brink
  • Nummer: IC264
  • Niveau: 3
  • Siso: J Spanje 991