Noordhoff Uitgevers

Stoommachines

Je weet vast wel wat een fluitketel is. Je zet hem op het fornuis en zodra het water kookt komt er een fluittoon uit de ketel. Dat komt door de stoom die ontstaat als water gaat koken. Stoomkracht kan nog veel meer. Treinen kunnen er bijvoorbeeld door rijden.
De kracht van stoom is allang bekend. Maar sinds 1700 zijn er steeds betere en krachtiger stoommachines ontwikkeld. Het gebruik van stoommachines zorgde voor veel veranderingen in het leven van de meeste mensen. Die veranderingen noemen we de Industriële Revolutie. Door de stoommachines ontstonden er fabrieken. Die werden vooral in steden gebouwd. Daarom trokken veel mensen van het platteland naar de stad. Het voordeel van fabrieken was dat spullen sneller en goedkoper gemaakt konden worden dan vóór die tijd. Het nadeel was dat mensen in de fabrieken lang moesten werken voor een laag loon.

Vóór de Industriële Revolutie was dit de manier om een heipaal de grond in te slaan. Met tientallen mannen tegelijk hees men een zware steen omhoog. Vervolgens liet men die op de heipaal vallen. Dit werd keer op keer herhaald.

De kracht van stoom

Water dat je in een fluitketel verwarmt, gaat bij 100 ºC koken en gaat over in stoom. Stoom neemt veel meer plaats in dan water. Eén liter water wordt 1700 liter stoom. Daarvoor is er in de fluitketel veel te weinig ruimte en de stoom wil weg. De stoomkracht die dan ontstaat, perst zich langs het fluitje van de fluitketel naar buiten.

Je kunt je voorstellen dat de kracht van een stoommachine nog veel groter is dan die van een fluitketel. De eerste stoommachines hadden net zoveel kracht als 1600 paarden. We zeggen dan: het is een machine van 1600 pk.

De eerste stoommachines stonden in de Engelse steenkoolmijnen. Om meer steenkool te kunnen delven moesten mijnwerkers steeds dieper graven. Op een gegeven moment kwamen ze bij het grondwater terecht. De stoommachines werden gebruikt om het grondwater weg te pompen. In Nederland werd in 1781 een stoommachine gebruikt om een vijver leeg te pompen. De stoommachines werden steeds beter en krachtiger. Daardoor lukte het een paar jaar later om een polder droog te houden. Bij nat weer stond die polder namelijk steeds onder water. Het was het eerste gemaal op stoomkracht.

Industrie

Voordat er stoommachines bestonden, waren er in Engeland textielfabrieken. Draden spinnen en weven werd met machines gedaan. Die werden aangedreven door stromend water en een waterrad. De fabrieken stonden langs de rivier. Fabrieken die met stoommachines werkten, konden overal gebouwd worden. Zij waren niet afhankelijk van stromend water. Er kwamen steeds meer fabrieken. Niet alleen voor textiel, maar ook broodfabrieken of machinefabrieken. Want machines en machineonderdelen moesten wel gemaakt worden.

Voor de fabrieken waren grondstoffen nodig. De grondstoffen kwamen uit de mijnen en werden vervoerd met karretjes op houten rails. Daarna werden ze meestal over water naar de fabriek vervoerd. In 1803 werd de eerste stoomlocomotief gebouwd, een karretje op stoomkracht dat verschillende volgeladen wagons achter zich aan trok over de rails. De techniek van de stoomkracht werd steeds verder ontwikkeld. Er kwamen meer vervoermiddelen zoals de stoomtram en de stoomboot.

Tegenwoordig is er weer aandacht voor stoom, bijvoorbeeld in de auto-industrie. Men experimenteert met auto’s die zuiniger kunnen rijden dan gewone auto’s. Zo’n auto noem je een hybride.

De eerste stoomlocomotief in Nederland was ‘De Arend’. In het spoorwegmuseum in Utrecht kun je zien hoe De Arend eruitzag. Om een stoomtrein als deze twintig kilometer te laten rijden was 1000 kilo steenkool nodig en 9000 liter water.

Dit is een samenvatting van Informatie-boekje 389 Stoommachines.

Details en informatie

  • Titel: Stoommachines
  • Auteur(s): Karin van Hoof
  • Nummer: 389
  • Niveau: 5
  • Siso: J 651.1