Noordhoff Uitgevers

Trein: van stoomtrein tot magneetzweeftrein

Met veel lawaai en veel stoom verlaat de trein het station. Herken je dat? Waarschijnlijk niet. De mensen die in de negentiende eeuw (1800-1900) reisden, zouden het wel herkennen. Zij reisden met de stoomtrein. In Engeland was de stoommachine uitgevonden. Daardoor kwam men op het idee om een stoomlocomotief te bouwen. Maar het duurde nog een tijd voordat het allemaal echt goed werkte. In Nederland reed de eerste trein in 1839 tussen Amsterdam en Haarlem. De spoorlijn was 16 kilometer lang. Langzaam maar zeker werd het traject uitgebreid, zelfs naar België en Duitsland. De treinen hadden drie klassen. In een derdeklas rijtuig moest je meestal staan. In de tweede klas kon je wel zitten, maar op houten banken die dicht op elkaar stonden. De eerste klas had luxe zitbanken. Bovendien was er licht en verwarming.

De Arend was de tweede stoomlocomotief in Nederland. De nagebouwde locomotief is nu te bewonderen in het Spoorwegmuseum in Utrecht.

Van oost naar west

Bij ons werden spoorlijnen aangelegd tussen bestaande steden. In Amerika ging het vaak anders. Daar werden duizenden kilometers spoor aangelegd in gebieden waar nauwelijks mensen woonden. Langs de lijnen ontstonden dorpen en steden, waar miljoenen emigranten uit Europa gingen wonen. Om een verbinding te maken tussen oost en west begonnen twee bedrijven tegelijkertijd met het aanleggen van een spoorlijn. Een in het oosten en een in het westen van het land. Ergens in het binnenland zouden de spoorlijnen elkaar tegenkomen. Dat gebeurde in 1869 in een klein plaatsje, vlak bij Salt Lake City. Er lag toen een spoorlijn van bijna 3000 kilometer.

Moderne treinen

De stoomtrein heeft allang plaatsgemaakt voor elektrische treinen. Die zijn veel sterker en ze kunnen sneller rijden. De elektriciteit komt van kabels boven het spoor. Door de snellere treinen moest er betere beveiliging komen. Er werden knipperlichten en spoorbomen gebouwd. Ook kwamen er wissels. Daardoor kon een trein van het ene naar het andere spoor gaan. Om het treinverkeer echt veilig te maken hebben alle treinen nu atb, een soort automatische remmen.
Steeds meer mensen reizen met de trein. Daarom worden de treinen steeds langer. Sinds 1985 rijden er dubbeldekkers. Die treinen hebben soms wel tien rijtuigen met elk honderd zitplaatsen. In totaal zijn dat duizend zitplaatsen. De treinen worden niet alleen langer, ze gaan ook steeds sneller. In Frankrijk rijden al jaren hogesnelheidstreinen. Op rechte stukken halen die zo'n 350 kilometer per uur. Op onze spoorlijnen mogen treinen niet harder rijden dan 140 kilometer per uur, omdat er te veel bochten en wissels zijn. Daarom is er een aparte lijn aangelegd, de hsl (hogesnelheidslijn). Die loopt van Amsterdam naar België.
In sommige landen gaat het nóg sneller. In Duitsland en Japan rijden magneetzweeftreinen. Deze treinen zweven boven een magnetische baan. Magneten kunnen aantrekken en afstoten. Magneten die afstoten, tillen de trein een paar centimeter op. Andere magneten zorgen voor trekkracht. Zo kan een trein meer dan 500 kilometer per uur halen!

De magneetzweeftrein trekt razendsnel op en rijdt zuinig. Hij heeft geen wielen en dat scheelt veel gewicht en herrie.

Details en informatie

  • Titel: Trein: van stoomtrein tot magneetzweeftrein
  • Auteur(s): Zeger van Mersbergen
  • Nummer: IC286
  • Niveau: 3
  • Siso: J 657.82