Noordhoff Uitgevers

Trekvogels

Heel veel vogels gaan in de herfst op reis. Dat heet de vogeltrek. Bijna 120 vogelsoorten trekken van Europa naar Afrika. Uit Nederland zijn dat bijvoorbeeld: zwaluwen, nachtegalen, koekoeken, weidevogels, veel watervogels en sommige roofvogels. Deze vogels overwinteren in warmere streken. In het voorjaar maken de vogels deze weer terug. Heel bijzonder is dat ze precies de plek terugvinden waar ze vorig jaar hun nest hadden. Dat is hun broedgebied. Ooievaars keren zelfs terug naar hetzelfde nest. De gierzwaluw vliegt in zijn leven zo'n 6 miljoen kilometer. Dat is acht keer heen en weer naar de maan.













Ganzen vliegen in een V-vorm. De eerste vangt veel wind, de anderen vliegen in de luwte. Ze wisselen steeds van plek.

Gevaar

De vogeltrek is best gevaarlijk. Het kan slecht weer zijn. De Middellandse zee moet overgestoken worden, en boven de Sahara komen soms zandstormen voor. Op veel plaatsen hangen elektriciteitskabels hoog boven het land. En in sommige landen wordt op vogels gejaagd. Ook op de plek waar de vogels gaan overwinteren, kan het tegenzitten. Als het er erg heet en droog is, is er weinig voedsel te vinden. Als het zo gevaarlijk is, waarom trekken vogels dan? Omdat er in de winter niet genoeg voedsel is. Er zitten geen bladeren en vruchten meer aan de bomen. De sneeuw bedekt zaden en gras. En vissen zitten onder het ijs.














Deze uil krijgt een ring om zijn poot en zijn nagels worden gemeten.

Vogels die trekken gaan niet allemaal naar dezelfde plek. Ooievaars eten graag sprinkhanen en grasrupsen. In de winter leven die op de Afrikaanse savanne. Dat lijkt op de Nederlandse polders. De boerenzwaluw eet insecten die hoog in de lucht vliegen. In de winter leven die bij water in West-Afrika en Centraal-Afrika. Voor de vliegtocht gaan de vogels eerst in de rui. De oude veren worden vervangen door nieuwe. Die veren beschermen beter tegen kou, water en extreem weer. Ze vliegen ook beter. Verder gaan de vogels extra veel eten. Dat heet opvetten: het vet is de brandstof voor de lange reis.

Vroeger wisten de mensen niet dat vogels in de winter wegtrokken. Sommigen dachten dat vogels in het najaar naar de maan vlogen. Of dat ze een winterslaap hielden. In 1899 bedacht een Deense onderwijzer dat hij vogels kon volgen door ze te ringen. Dat gebeurt nu nog steeds. Een 'ringer' vangt vogels en doet hem een ring om zijn poot. Hij schrijft van alles op over de vogel. Het Vogeltrekstation verzamelt al die informatie. Vogelkijkers zien soms ringnummers door hun verrekijker of telescoop. Dat is een superverrekijker, met één lens.

Details en informatie

  • Titel: Trekvogels
  • Auteur(s): Tanja Veenstra
  • Nummer: JC306
  • Niveau: 2
  • Siso: J 598.3