Noordhoff Uitgevers

Van Zuiderzee tot IJsselmeer

Vroeger kon het bij storm flink spoken op de Zuiderzee. Honderden schepen vergingen met man en muis in het woeste water; dijken rond de zee braken regelmatig door. Maar in 1932 kwam er een dijk tussen de Waddenzee en de Zuiderzee: de Afsluitdijk. De Zuiderzee heette vanaf toen IJsselmeer. Er werden grote polders aangelegd waarin ruimte was voor boerderijen, dorpen en steden. Ook kwamen er natuurgebieden en strandjes en meren voor recreatie.

In de middeleeuwen voeren schepen uit rijke Hanzesteden als Kampen en Deventer over de IJssel en de Zuiderzee naar de Oostzee. Eeuwen later vertrokken er grote handelsschepen uit de havens van Amsterdam, Hoorn of Enkhuizen voor de verre reis naar Indië. En al die eeuwen voeren er ook vissersschepen over de Zuiderzee.

De Zuiderzee was eeuwenlang erg belangrijk voor ons land.

Van zout naar zoet

Elke plaats aan de Zuiderzee heeft wel een haven. Daar voeren vroeger vissersboten uit, bij elkaar wel tweeduizend op een dag. Samen vormden ze de bruine vloot. De Zuiderzee was rijk aan zoutwatervis. Enkhuizen, Marken, Spakenburg, Volendam, Harderwijk en Urk waren belangrijke vissershavens. Er was veel saamhorigheid onder de mensen. Dat zag je ook terug in de klederdrachten die vroeger gedragen werden. In elke vissersplaats droegen de mensen een ander soort kleding. Nu dragen sommige mensen alleen nog klederdracht op speciale feestdagen en voor de toeristen.

In 1920 begonnen de Zuiderzeewerken met het droogmalen van de Wieringermeer. Daarna werd de Afsluitdijk aangelegd. Er kwamen 25 sluizen in. Door de Afsluitdijk veranderde er veel. Het IJsselmeerwater werd zoet. De zoutwatervissen verdwenen al snel. De vissers moesten ander werk zoeken. Ook zeilmakers en scheepsbouwers raakten hun werk kwijt.

De Afsluitdijk is 32 kilometer lang en maar liefst 90 meter breed.

In 1942 werd de Noordoostpolder drooggelegd en een aantal jaren daarna volgden de beide Flevopolders. De laatste droogmakerij moest de Markerwaard worden, met het eiland Marken. Er werd een dijk aangelegd tussen Enkhuizen en Lelystad. Dat was het begin van de nieuwe polder. Maar daar is het bij gebleven. Veel mensen vonden dat het IJsselmeer moest blijven. Nieuw land voor de boeren was niet meer nodig. En men vond de nieuwe polder wel erg duur worden.

De regering wilde graag dat er mensen in de nieuwe polders gingen wonen en werken. De Noordoostpolder kreeg akkers en boomgaarden voor 1800 landbouwbedrijven. In de andere polders kwamen minder boerderijen. De natuur kreeg daar meer ruimte. Ook werden er steden gebouwd: Lelystad en Almere. Almere is de grootste stad en bestaat uit drie delen: Stad, Buiten en Haven.

In 1986 werd Flevoland als twaalfde provincie opgericht. Daarbij horen de Noordoostpolder, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland en het Markermeergebied. De hoofdstad van de nieuwe provincie is Lelystad. Die stad is genoemd naar de bedenker van de Zuiderzeewerken, ingenieur Lely. Tussen de IJsselmeerpolders en het oude land liggen randmeren als het Gooimeer, Veluwemeer en Ketelmeer. Ze worden veel gebruikt door zeilers, hengelaars en surfers. Duizenden vogels vinden er voedsel.

In de dorpen en stadjes rond de oude Zuiderzee is nog veel te zien wat aan vroeger herinnert. Dat zie je vooral tijdens de haven- of visserijdagen. Dan lopen mensen weer in klederdrachten en varen oude schepen met hun bruine zeilen weer uit, met toeristen aan boord. Klompenmakers, mandenvlechters en zeilmakers demonstreren hun oude ambachten. En kleine musea in Hindeloopen, Elburg of Stavoren laten oude tijden herleven.

Details en informatie

  • Titel: Van Zuiderzee tot IJsselmeer
  • Auteur(s): Zeger van Mersbergen
  • Nummer: IC215
  • Niveau: 3
  • Siso: J 699.3