Noordhoff Uitgevers

Vissen

Vissen zijn er in allerlei soorten, maten en kleuren. Maar hoe verschillend ze ook zijn, ze leven allemaal in water. In zoet water, zoals meertjes, beken en rivieren. Of in de zoute zee. Sommige vissen leven in brak water in het overgangsgebied van een rivier naar de zee.
Ongeveer 500 miljoen jaar geleden waren er al vissen. Die zagen er anders uit dan nu. Ze hadden bijvoorbeeld nog geen schubben. In de loop der tijd hebben de vissen zich steeds aangepast aan hun omgeving. Dat is belangrijk, want vissen hebben veel natuurlijke vijanden. Dat kunnen grotere vissen zijn, maar ook otters of reigers. Sommige vissen gebruiken camouflage om te voorkomen dat ze worden opgegeten. Ook mensen vangen veel vis. Dat is altijd al zo geweest. Maar de vissersboten van nu hebben enorme netten, waarmee ze hele scholen in één keer uit het water kunnen halen. Door overbevissing bestaat het risico dat sommige soorten uitsterven.

De sleepnetten van deze vissersboot hebben ijzeren kettingen die de zeebodem omwoelen. Zo vernietigen ze alles wat op en in de zeebodem leeft.

Kenmerken

Er zijn meer dan 30 duizend verschillende vissen. Al deze vissen hebben wel enkele dezelfde kenmerken. Allemaal hebben ze kieuwen en vinnen. De vinnen gebruiken ze niet alleen om te zwemmen. Ze bewaren er ook hun evenwicht mee. Net als mensen hebben vissen zintuigen. Die zijn alleen iets anders. Zo zitten hun ogen aan de zijkant van hun kop. Op die manier kijken ze alle richtingen uit. Vissen hebben nog een ander zintuig: de zijlijn. Daarmee voelen ze bewegingen en veranderingen van de druk in het water. Zo kunnen ze in het donker rondzwemmen zonder ergens tegenaan te stoten. Door de zijlijn merkt een vis het ook als een ander dier dichterbij komt. Dat is handig om te voorkomen dat hij wordt opgegeten. Niet alle kleine vissen hoeven trouwens bang te zijn voor grotere vissen. Sommige vissen werken goed samen. De poetsvis heeft een belangrijke taak. Hij pikt voedselresten en parasieten van het lijf van een grote vis. Zo heeft hij een lekker maaltje en de grote vis is weer schoon.

Voortplanting

Alle vissen beginnen hun leven als eitje. De meeste vrouwtjesvissen leggen eitjes, het zogenaamde kuitschieten. De eitjes worden pas daarna door de mannetjes bevrucht. Sommige vissen beschermen hun eitjes en verzorgen ze tot ze uitkomen. Andere vrouwtjes, bijvoorbeeld van de maanvissen, letten niet op hun eitjes. De meeste eitjes worden dan opgegeten. Gelukkig legt het vrouwtje miljoenen eitjes, dus blijven er genoeg over.
Bij haaien gaat het weer anders. Sommige haaien leggen leerachtige eieren waarin de haaitjes verder groeien. Bij andere haaien komen de eieren in de buik uit en worden de jongen levend geboren. Deze haaien zijn eierlevendbarend. Dit is niet het enige verschil tussen haaien en andere vissen. Haaien zijn kraakbeenvissen. Zij hebben een skelet van kraakbeen. Door dit skelet zijn ze heel wendbaar. Haaien hebben nog een bijzondere eigenschap. Zij hebben een soort orgaan dat elektriciteit in het water kan waarnemen. Elk dier zendt elektrische stralen uit. Zo kan een haai vissen opsporen die zich in de bodem verstopt hebben. Haaien hebben een slechte naam. Toch zijn er maar een paar soorten die gevaarlijk zijn voor de mens. Als een haai een mens aanvalt, is het vaak een vergissing. Soms denkt hij dat hij te maken heeft met een zeehond als hij een surfplank ziet.

Roggen zijn een soort neven van de haai. De sidderrog kan elektriciteit opwekken om zijn prooi te verlammen of te doden. Hij kan schokken produceren van wel 220 volt.

Details en informatie

  • Titel: Vissen
  • Auteur(s): Inge van der Veen
  • Nummer: IC300
  • Niveau: 3
  • Siso: J 598.1