Noordhoff Uitgevers

Vliegen

Mensen zijn altijd jaloers geweest op vogels. Die kunnen met hun mooie vleugels door de lucht vliegen. Mensen kunnen dat niet. Maar ze willen het wel. In de middeleeuwen (500-1500) sprongen mensen met zelfgemaakte vleugels van kerktorens. Kunstenaar en uitvinder Leonardo da Vinci ontwierp in 1488 op papier zijn eerste vliegmachine. 
Heel lang hebben mensen gezocht naar hoe vogels kunnen vliegen, om ervan te leren. In 1853 was de eerste succesvolle bemande vlucht met een zweefvliegtuig. Het was een machine met vleugels. En een staart waarmee je kon sturen.
De Amerikaanse broers Wright bouwden een vliegtuig met een motor, een propeller.
Later vonden ze de straalmotor uit, hiermee kwam een vliegtuig veel sneller vooruit.
Een van de grootste vliegtuigen van nu is de Boeing 747. Zo’n vliegtuig weegt net zo veel als honderd volwassen olifanten: 400 duizend kilo.


Een nagebouwd model van het zweefvliegtuig waarmee de Engelse wetenschapper George Cayley in 1853 zijn eerste bemande vlucht maakte.


Vogels

De mens heeft goed naar vogels gekeken om te ontdekken hoe zij vliegen. Vogels zijn door hun lichaamsbouw helemaal aangepast aan het vliegen. Met de slagpennen kan een vogel vliegen en met de staartpennen blijft de vogel in balans. Een vogel is licht, zijn botten en pennen zijn hol van binnen. Hij heeft sterke borstspieren, waarmee hij met zijn vleugels kan slaan. 
Vogels hebben verschillende manieren om op te stijgen. Een mus is licht, hij kan vanaf de grond ineens de lucht in. Een zware vogel, zoals een zwaan, neemt eerst een aanloop en slaat krachtig met zijn vleugels.


Wie vliegt er nog meer?

Behalve vogels, zijn er ook andere dieren die kunnen vliegen. Zoals vlinders, vliegen en libellen. De meeste insecten hebben vier vleugels. Ze bestaan uit een dun vliesje en kunnen alle kanten op bewegen. Ze bewegen hun vleugels razendsnel in een acht-vorm. Op die manier roeien insecten als het ware door de lucht.
Vleermuizen zijn de enige zoogdieren die kunnen vliegen. Ze vliegen eigenlijk met hun handen. Tussen hun lange, dunne vingers zit vlieghuid, die vastzit aan de achterpoten en de staart.
Niet alleen dieren kunnen vliegen, maar ook zaadjes van planten en bomen. Die vliegen niet echt, ze zweven. Ze zweven door de lucht om op een goede plek neer te komen, waar ze tot een plant of boom kunnen uitgroeien. Lichte zaadjes kunnen soms kilometers door de lucht afleggen.



Zaadjes van de esdoorn en de paardenbloem.


Andere manieren om te vliegen

Als het mooi weer is, zie je vaak heteluchtballonnen in de lucht. De lucht in de ballon wordt met gasbranders opgewarmd. Warme lucht stijgt op, dus ook de ballon zelf.
Een helikopter is een vliegmachine die rotorbladen heeft, in plaats van vleugels. Een helikopter kan meteen vanaf de grond opstijgen. Hij kan op een klein stukje land of zelfs op een gebouw landen. Een drone vliegt als een vliegtuig of helikopter en heeft camera’s aan bord waarmee hij opnames maakt. Via een satelliet stuurt hij de beelden meteen naar de grond. Zo kan de persoon die de drone bestuurt, op de computer meekijken.
En wat denk je hiervan? Je rijdt in je auto en drukt met je vinger op een knop. De auto klapt zijn vleugels uit en opeens… vlieg je door de lucht. Een droom? Nee, sinds 2015 bestaat zo’n auto.

Dit is een samenvatting van Informatieboekje 21 Vliegen.

Details en informatie

  • Titel: Vliegen
  • Auteur(s): Suzanne Neutkens
  • Nummer: 21
  • Niveau: 3
  • Siso: J 659.1