Noordhoff Uitgevers

Waterdieren

Nederland is een land met veel water. Sloten, meren, rivieren en kanalen zijn gevuld met zoet water. In dat water wonen allerlei dieren. De meeste zijn zo klein dat je een microscoop of een vergrootglas nodig hebt om ze te bekijken. Het kleinste diertje dat je nog met het blote oog kunt zien, is de groene zoetwaterpoliep. Hij is een halve centimeter lang. Hij ziet er niet gevaarlijk uit. Toch kun je nare rode bultjes op je huid krijgen, als je hem aanraakt. Andere kleine diertjes in het water zijn larven. Ze zijn net uit het ei gekomen. Later groeit er een ander beest uit, bijvoorbeeld een mug. Een mug begint zijn leven dus onder water.

Door een microscoop kun je kleine kriebelbeestjes bekijken. Zo flink vergroot zien ze er best eng uit.

Vissen

In Nederland komen ongeveer vijfendertig soorten zoetwatervissen voor. Sommige zijn klein, zoals het stekelbaarsje. Dat leeft in sloten en wordt zo'n zeven centimeter lang. Net zo groot als je middelvinger. De grootste soort is de meerval, die kan wel drie meter lang worden. Hij zwemt het liefst in grote rivieren rond. Een sloot of een beekje is te klein voor een meerval. Alle vissensoorten zien er weer anders uit. De stand van de bek vertelt je waar de vis leeft. Staat de onderkaak een beetje naar voren, dan eet de vis beestjes die dicht aan het wateroppervlak wonen. Heeft de vis een rechte bek, dan leeft hij midden in het water. Bij vissen die diertjes van de bodem eten, staat de bovenkaak naar voren.

De meerval is de grootste zoetwatervis.

Amfibieën zijn waterdieren, maar ook landdieren. Het woord amfibie komt uit het Grieks en betekent 'dubbel leven'. In het water en op het land, dus. Voorbeelden van zulke dieren zijn kikkers, padden en salamanders. Ze voelen glibberig aan. Dat is heel handig, want hun huid blijft dan vochtig. Zo drogen ze niet uit. Ze gebruiken hun huid om adem mee te halen. Ze nemen er ook water mee op. Dus ze hoeven nooit te drinken. Alle amfibieën hebben grote ogen aan de zijkanten van hun kop.
Nog grotere waterdieren zijn de harige soorten. De muskusrat, de otter en de bever. Het zijn alledrie hele goede zwemmers. Op de muskusrat wordt flink gejaagd. Dat komt omdat hij gangen graaft onder weilanden. Stukken land kunnen daardoor inzakken. Een muskusrat kan wel honderd meter diep duiken en zeventien minuten zijn adem inhouden. Dat moet jij niet proberen! In waterrijke gebieden hebben provincies en gemeentes rattenvangers in dienst. Met vallen en klemmen proberen ze de muskusratten te vangen. Dat helpt wel een beetje, maar de ratten zijn slim en razendsnel. Het zal niet zo gauw lukken om ze helemaal uit te roeien.

De otter is een goede zwemmer.

Details en informatie

  • Titel: Waterdieren
  • Auteur(s): Karin Wesselink
  • Nummer: JC085
  • Niveau: 1
  • Siso: J 596.3