Noordhoff Uitgevers

Watersnoodramp van 1953

In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 stormde het. Tussen 4 en 6 uur 's ochtends was het vloed. Het water van de zee stond daardoor hoog. Maar het was ook springtij, en daardoor stond het water extra hoog. De storm duwde het water met kracht de zeearmen van Zeeland in. Daardoor braken heel veel dijken. Die aarden wallen waren niet sterk genoeg om het water tegen te houden. De Zeeuwse eilanden Goeree Overflakkee en Schouwen Duiveland liepen onder water. Veel mensen gingen op zolder of op hun dak zitten. Maar sommige huizen stortten in en de bewoners verdronken of dreven rond in het ijskoude water.















Ook in Brabant en Zuid-Holland liepen stukken land onder water.

De redding

Het duurde lang voordat er hulp kwam. Dat kwam doordat de telefoon het niet meer deed. En wegen en spoorlijnen waren ondergelopen. Zeeland was afgesloten van de rest van Nederland. Pas zondagmiddag kwamen de eerste boten en helikopters om mensen te redden. Het leger werd ook ingezet. Niet alleen Nederlandse soldaten hielpen. Ook België, Duitsland, Engeland, Denemarken, Frankrijk, Canada en de Verenigde Staten stuurden militairen. Ze stuurden helikopters en amfibie-voertuigen. Daarmee kun op het land rijden en in het water varen. Op maandag kwam koningin Juliana naar het rampgebied. Ze wilde met de overlevenden praten.










Met de rubberboten konden de redders handig tussen de beschadigde huizen door varen.

Er vielen 1836 doden bij de Watersnoodramp. Ook duizenden dieren verdronken. Veel huizen waren kapot, dus mensen moesten tijdelijk ergens anders wonen. Er was grote schade aan de dijken, maar ook aan wegen, bruggen, fabrieken en spoorlijnen. Op de akkers van de boeren stond lange tijd zout water. Pas een jaar later wilde daar weer iets groeien. Na de ramp moesten eerst de dijken weer dicht. Voor kleine gaten werden zandzakken gebruikt. Maar sommige gaten waren heel groot. In zo'n gat bij Schelphoek werden superzware betonnen of stalen bakken geplaatst.

Zo'n ramp mocht nooit meer gebeuren, vond iedereen. Daarom liet de Nederlandse regering de Deltawerken bouwen. Die zouden het zuidwesten van Nederland beschermen tegen de zee. Het was de bedoeling om de zeearmen in Zeeland en Zuid-Holland te sluiten. Dat moest met dammen gebeuren. Een dam is een afsluiting van zand en klei, met daaroverheen een laag asfalt. In de Oosterschelde werd een stormvloed-kering gebouwd. Dat zijn grote pijlers met schuiven ertussen. Als het water hoog komt, kunnen de schuiven naar beneden. De stormvloed-kering is dan dicht. Eén Zeeuwse zeearm is niet dicht: de Westerschelde. Daardoor kunnen grote zeeschepen de haven van België nog steeds bereiken. De dijken langs de Westerschelde werden wel verhoogd en verstevigd.

Details en informatie

  • Titel: Watersnoodramp van 1953
  • Auteur(s): Jeroen Denters
  • Nummer: JC244
  • Niveau: 3
  • Siso: J 699.1