Noordhoff Uitgevers

Wegen en straten

De meeste kinderen in Nederland kunnen met de fiets naar school. Ze fietsen over verschillende wegen en straten. Maar wat als je naar je opa en oma wilt, die vijftig kilometer verderop wonen? Dan is het handig om met de auto te gaan en over de autosnelweg te rijden. Daar mag je hard rijden, dus dan schiet je lekker op. Alle wegen in Nederland hebben een nummer. Voor het nummer van een autosnelweg staat de letter A. De A1 loopt bijvoorbeeld dwars door Nederland, van Amsterdam in het westen tot aan de Duitse grens in het oosten. Een autosnelweg heeft meerdere rijbanen, dat zijn stroken waar auto’s op rijden. 


Op de borden staan de verschillende wegnummers.

Straten en wegen maken 

Als er in een stad of dorp een nieuwe wijk komt, moet er veel gebeuren. Er worden natuurlijk huizen gebouwd, maar er moeten ook straten en wegen komen. In het plan van de nieuwe wijk staan die straten en wegen gelijk ingetekend. Als de grond is onderzocht, weet de wegenbouwer hoe hij de weg of straat het beste kan maken. In een woonwijk zijn de straten meestal gemaakt van klinkers. Dat zijn stenen van klei die zijn afgebakken in een fabriek. Straten maken is veel werk. Stratenmakers leggen de klinkers één voor één in een vlakke zandlaag. Met een rubber hamer kloppen ze de klinkers goed vast. Er zijn tegenwoordig ook wel machines die bij het werk helpen. Zoals een trilmachine die de klinkers stevig aandrukt.
Een autosnelweg bestaat uit verschillende lagen, met daar overheen asfalt. Dat is gemaakt van stukjes steen en zand, gemengd met bitumen. Bitumen is een kleverige vloeistof die in aardolie zit. Een machine met een zware rol verspreidt het asfalt over de weg en drukt het stevig aan.

Drukke wegen

Als er veel auto’s op de weg zijn, is er kans op file. Dat is een lange rij auto’s die zachtjes rijdt. Soms staan de auto’s zelfs helemaal stil. Een file ontstaat vaak als er een ongeluk is gebeurd. Of als er aan de weg gewerkt wordt. Of door slecht weer, bijvoorbeeld als het sneeuwt. 
Op de vluchtstroken langs de autosnelweg mag je eigenlijk niet rijden. Die stroken zijn er voor als een auto pech heeft. Of als er een ambulance snel door moet. Maar soms wordt een vluchtstrook gebruikt tijdens het spitsuur. Dat is een hele drukke tijd op een dag, als veel mensen naar hun werk of juist weer naar huis gaan. Door de vluchtstrook dan als rijbaan te gebruiken, kan het verkeer vlotter doorrijden. Op de weg gelden verkeersregels. Die zijn gemaakt om het verkeer zo veilig mogelijk te maken. In die regels staat precies hoe hard je op welk soort weg mag rijden. Er staat ook in dat je niet door rood mag rijden. Behalve regels zijn er ook verkeerstekens. Dat zijn bijvoorbeeld verkeersborden, borden boven en langs de weg. Maar ook strepen, pijlen en figuren die op de weg geschilderd zijn. Zulke verkeerstekens noemen we markeringen.


De mensen in de verkeerscentrale zien op hun beeldschermen hoe druk het op de wegen is. 

Dit is een samenvatting van Junior-Informatieboekje 23 Wegen en straten.

Details en informatie

  • Titel: Wegen en straten
  • Auteur(s): Lien van Horen
  • Nummer: 23
  • Niveau: 2
  • Siso: J 696.2