Noordhoff Uitgevers

Wijn

Er zijn volwassenen die erg kunnen genieten van goede wijn. Je ziet ze wel eens proeven in een restaurant. Terwijl ze de wijn ronddraaien in het glas, staat de ober te wachten. Gesnuif, geslurp, gesmak en dan een ernstig knikje. Gelukkig, de wijn smaakt. Opgelucht schenkt de ober de glazen vol. Tegen die tijd heb jij je glas druivensap al lang leeg. En druivensap is toch bijna hetzelfde! Er zit alleen geen alcohol in.
Wijn bestaat al heel lang. Tussen 5000 en 4000 jaar voor Christus begonnen mensen al druiven te verbouwen en er wijn van te maken. Het waren de Grieken die de wijnbouw naar Europa brachten. Toen zij naar het noorden trokken, namen ze hun kennis over wijn mee.

Er zijn speciale proeverijen waar volwassenen wijn kunnen keuren.

De zorgen van de wijnboer

Wijn komt van druiven. Die groeien aan een wijnstok. Dat is een klimplant. In de wijngaard staan de wijnstokken in keurige rijen naast elkaar. Wijnstokken groeien het best op een bodem met weinig voedingsstoffen. De wortels moeten dan harder vechten voor voedsel en daarvan wordt de plant sterk.
Druiven doen het goed in gebieden met een gematigd klimaat. Dat zijn gebieden met zachte winters en zachte zomers. Druiven houden van flink wat zon en zo nu en dan een regenbui. Vooral in het voorjaar is het voor de druiven erg belangrijk wat het weer doet. Hevige regen of vorst kan de jonge bladeren aan de wijnstok ernstig beschadigen. De wijnboer kan dan naar zijn oogst fluiten.

De druiven worden in de nazomer geoogst.

In september of oktober worden de druiven geoogst. Ze worden in een machine kapotgemaakt. Hierna kan de wijnboer twee dingen doen. Wil hij witte wijn, dan haalt hij de schilletjes weg. Wil hij rode wijn, dan laat hij ze zitten. De schilletjes geven de kleur aan de wijn.
Dit gebeurt in de gistkuip. Die kuip heet zo omdat het sap erin moet gisten. Daarvoor zorgen gistcellen. Gistcellen zijn piepkleine levende deeltjes. Ze zitten op de druiven. In het druivensap zit veel suiker. Als de gistcellen in het druivensap terechtkomen, zetten ze de suiker om in alcohol. De gistcellen maken dus wijn van druivensap. Hoe korter de gisting duurt, hoe zoeter de wijn en hoe minder alcohol erin zit.
Na de gisting wordt de wijn gefilterd en opgeslagen in vaten. De wijn moet nu rijpen. Is de wijn goed gerijpt, dan wordt hij gebotteld. Dat betekent: in de fles gedaan. 'Bottle' is het Engelse woord voor fles. Sommige wijnen kunnen daarna meteen gedronken worden, andere rijpen verder in de fles, soms tientallen jaren.

Het etiket op de fles vertelt waar en wanneer de wijn gebotteld is en wat voor kwaliteit de wijn heeft. Sommige wijnen worden gemaakt van verschillende druivensoorten. Andere van één soort, bijvoorbeeld de merlot (zeg: merloo). Er zijn duizenden verschillende soorten druiven. Elke soort doet per gebied, per jaar, per oogst iets anders. Dus ga maar na hoeveel soorten wijn er bestaan.

Details en informatie

  • Titel: Wijn
  • Auteur(s): Edith Schreuder
  • Nummer: ic031
  • Niveau: 3
  • Siso: J 678.7

Video bekijken