Noordhoff Uitgevers

Wintersport

Ben je al eens op wintersportvakantie geweest? Wat heb je toen gedaan, langlaufen, skiën of snowboarden? De meeste kinderen kiezen voor skiën of snowboarden. Je kunt die sporten op allerlei manieren doen. Gewoon van de berg af glijden of met allerlei sprongen en draaien. Als je geen of weinig ervaring hebt met wintersport, ga je eerst op les. In iedere wintersportplaats zijn skischolen waar je kunt leren langlaufen, skiën en snowboarden. Op plaatsen waar veel Nederlanders komen, kun je vaak in het Nederlands les krijgen. Maar meestal is les in een andere taal geen probleem. Je moet toch vooral kijken naar de leraar en de oefeningen nadoen.

Veel mensen nemen, voor ze naar Zwitserland of Oostenrijk gaan, eerst lessen in Nederland. Er zijn verschillende overdekte skihallen en buitenbanen waar je kunt trainen. Dan kun je in je vakantie lekker meteen de piste op.

Hobby of wedstrijdsport

Wintersporten doe je niet in je gewone kleren. Je hebt in ieder geval een wind- en waterdicht skipak nodig, dat lekker warm is. Ook kun je niet zonder handschoenen, muts en skibril. De kleren neem je meestal mee van thuis. Schoenen, ski's of een snowboard kun je vaak in de wintersportplaats huren. In de winkel of het verhuurbedrijf kun je kiezen uit allerlei soorten ski's en snowboards. De meest gebruikte ski's zijn carve-ski's. Daarmee kun je goed sturen in de bochten. De ski's snijden door de sneeuw. Bij snowboards heb je verschillende vormen. Voor afdalingen gebruik je een recht, smal board en voor sprongen een board dat breder en korter is. Voordat je gaat snowboarden moet je altijd eerst kijken welke voet je voorkeursvoet is. Die staat vooraan. Normaal is dat de rechtervoet, dat heet 'regular' (zeg: rehkjoelar). Staat je linkervoet voor, dan heet dat 'goofy' (zeg: koefie). Ski's en snowboards zitten met speciale bindingen aan je schoenen vast. Bij ski's schieten die meteen los als je valt.

Veel mensen vinden snowboarden moeilijker dan skiën. Maar als je het eenmaal goed kunt, kun je met een snowboard heel veel leuke trucs uithalen.

In veel skigebieden heb je honderden kilometers pistes. Met liften kun je van de ene naar de andere afdaling. Op een plattegrond zie je alle afdalingen en liften staan. Dan raak je de weg niet kwijt. Ook zie je aan de kleur van de piste hoe moeilijk die is. Groene en blauwe pistes zijn voor beginners. Rode en zwarte voor gevorderden.

Voor de pistes en de liften moet je een skipas kopen, een soort toegangskaart. Eerst brengt de skibus je vanaf je hotel of appartement naar het dalstation van de skibaan. Daar ga je in de lift die je naar het bergstation brengt. Eén lift vervoert vaak duizenden skiërs per uur! Het personeel van de lift let goed op dat er niets misgaat. Als er ergens een ongeluk is gebeurd, meld je dat ook bij het liftpersoneel. Zij zorgen ervoor dat er snel hulp komt.

Met een lift kom je makkelijk en snel boven. Vroeger moesten de mensen eerst de berg op lopen voor ze er weer af konden skiën.

Je kunt de verschillende soorten wintersport ook als wedstrijdsport doen. Schansspringen, langlaufen, skiën en snowboarden zijn zelfs olympische sporten. Bij schansspringen vliegen de skiërs vanaf een schans soms meer dan honderd meter door de lucht. Spectaculair om te doen én om naar te kijken is freestyle (zeg: friestail). Dat kan met ski's en met een snowboard. Bij freestyle springen de deelnemers van een schans of een halfpipe (zeg: hahfpaip) van sneeuw en doen allerlei sprongen en salto's. Bij slalom leggen skiërs of snowboarders zo vlug mogelijk een parcours (zeg: parkoer) of wedstrijdterrein af, waarbij ze zigzaggend om palen heen moeten.

Details en informatie

  • Titel: Wintersport
  • Auteur(s): Ferdinand Pronk
  • Nummer: IC154
  • Niveau: 3
  • Siso: J 618.1