Noordhoff Uitgevers

Zo word je archeoloog

Een archeoloog probeert uit te vinden hoe mensen vroeger leefden. Dat doet hij door de sporen te onderzoeken die mensen hebben achtergelaten in de grond. Door alles wat hij in de grond vindt goed te bestuderen, ontdekt hij het verhaal achter zijn vondst.
Botjes vertellen bijvoorbeeld op welke dieren mensen vroeger jaagden. Vondsten in een scheepswrak vertellen wat de scheepslui aan boord deden, wat ze aten en wat ze vervoerden. Vlekken in de grond kunnen wijzen op een plattegrond van een huis. Ook kunnen ze aangeven hoe er vroeger werd gebouwd. Een stuk van een weg maakt duidelijk hoe vroeger de grenzen liepen. Soms vinden archeologen ook skeletten van mensen, bijvoorbeeld in veen.


Het opgegraven skelet van Trijntje, een vrouw die 5500 jaar geleden leefde.

Opgravingen

Een archeoloog gaat niet zomaar graven. Hij doet een opgraving in stappen. Voordat de echte opgraving begint, bestudeert de archeoloog het gebied waar hij gaat graven. Op kantoor bekijkt hij oude kaarten en boeken om erachter te komen of er vroeger al mensen in het gebied waren. Ligt het gebied bijvoorbeeld vlak bij water of ligt het hoog, dan is de kans groot dat er vroeger al mensen hebben gewoond.
Na het bestuderen van de kaarten gaat de archeoloog het veld in, op zoek naar aanwijzingen. De volgende stap is het graven van een sleuf. Dat gebeurt met een graafmachine. In het veld prikt de archeoloog kleine paaltjes in de grond. Al die paaltjes bij elkaar vormen een groot vlak. Dat vlak noemen archeologen een sleuf. Op kantoor wordt met de computer een kaart gemaakt van de sleuven die de archeoloog wil afgraven. Van een stuk grond een kaart maken, noem je ook wel karteren.

Een archeoloog bij een opgraving.

Als een graafmachine de sleuf heeft gemaakt, kijkt de archeoloog of er vlekken of verkleuringen in de grond zijn. Want dat kan betekenen dat er daar iets in de grond zit. Archeologen graven op die plekken met scheppen en troffels, dat zijn kleine schepjes. Met een metaaldetector zoeken ze naar metalen voorwerpen of metaalresten in de grond.
Archeologen zijn heel zuinig op de bodemschatten. Ze graven alleen iets op als het echt nodig is. Zo blijft er voor archeologen in de toekomst ook nog wat over.
Er zijn archeologen die specialist zijn in een bepaalde tijd of een bepaald gebied. Die zijn dan bijvoorbeeld alleen maar bezig met vondsten uit de Romeinse tijd, de Griekse tijd of de prehistorie.

Wanneer ben je geschikt voor het vak van archeoloog? Je moet nieuwsgierig zijn, veel fantasie hebben, hard kunnen werken en doorzetten. Ook moet je goed kunnen rekenen, verschillende talen kennen, kunnen samenwerken en een pietje-precies zijn. En je moet natuurlijk geschiedenis een leuk vak vinden.
Om archeoloog te worden, moet je na de basisschool eerst het vwo doen. Daarna ga je studeren aan een universiteit. In Nederland kun je archeologie studeren in Amsterdam, Leiden, Groningen en Nijmegen. Tijdens de studie maak je reizen naar het buitenland. Ook doe je mee aan opgravingen om je daarin te oefenen.

Details en informatie

  • Titel: Zo word je archeoloog
  • Auteur(s): Annemarie van den Brink
  • Nummer: IC228
  • Niveau: 3
  • Siso: J 902.2